28
uur
Verloren
straten doolden door de stad en vervoerden hem op zijn weg. Nergens sporen achterlatend
verspreidden zij hun net en maakten zo elk huis en elke wolkenkrabber
toegankelijk voor de reiziger.
Paden werden highways of railways en verbonden
zo stad aan stad zodat alles toegankelijk werd voor de reiziger, voor de dolende
reiziger.
Zijn zwarte, lange jas rustte op zijn schouders, terwijl
hij in rustige tred over deze wegen
dwaalde. Hij bezag de wereld en bespiedde haar met zijn ogen. Hij was zich
onbewust bewust dat ook hij bespied werd, maar dat was niet bewust. Hij bespiedde.
Hij
zag de fonkelende ogen van het gebluste oude dametje dat in haar ouderdom
zich verbeeldde meer te zijn dan de jongeman die haar per ongeluk aanstootte
en nog zijn verontschuldigingen riep, ondanks zijn haast. Er gebeurde niets.
Hij
zag de zwerver in de goot. Een zwarte vertrapte neger die huis en baan
verloren had en die nu leefde
van de zich almaar voortrazende straat. Die leefde en de ÔwegwerpÕ-sporen uitwiste.
De sporen die de witte wereld achter zich liet, omdat die genoeg had en hij
tekort.
Donkere stegen kruisten de brede weg en maakten de weg tot een hel
verlicht pad in een paradijs, zeker als het donker werd, als het
donker werd.
Neonreklame flikkerde in de straat, het straalde zijn licht
over de mensen. Het straalde zijn licht over de eenzame zwerver die daar nog
steeds lag in de schaduw. Hij lag
in de kier tussen de straat en het gebouw. Kranten en dozen deden een poging
hem te beschermen, tegen de tocht en de kou, in het neonlicht. Het neon van de
bank.
Het neon bescheen ook de portieken. Het toonde slechte beelden van een
oude film in kleur, ŽŽn kleur, in het ritme van de lichten. Beelden van vrouwen
in korte rokken en met bont rond de nek. Vrouwen in overleg met mannen. Mannen
met geld en mannen met sneeuw. Langzaam vriezende sneeuw. Sneeuw die je doet
verkleuren en afkoelen. Afkoelen
tot nul en verkleuren tot wit. Het wit van de sneeuw.
Langzaam smolt
de sneeuw voor de zon en verdween. Papiertjes sukkelden met bekertjes over straat
in wilde verwarring na de nacht en werden overreden door een vroege taxi die
niet wilde stoppen.
Hij wandelde verder en hield een andere taxi aan en stapte
in. Het Mariaplaatje en de rozenkrans hingen aan de spiegel van deze chauffeur.
Hij zei hem waar hij heen wilde en de chauffeur reed.
Ze haalden de weg
in. Met grote snelheid schoot
de weg onder hun door en zelfs de gebouwen konden hun niet bijhouden. In de grote,
glanzende spiegelruiten zag hij de taxi steeds weer van de gebouwen af raken.
Steeds weer verloren de gebouwen het om hun te vangen in hun netten van staal
met spiegel-mazen en steeds weer schoten ze van ze af en belandden in het volgende
net van het volgende gebouw waar zij ook weer uit wisten te ontsnappen.
Het
was nog vroeg, de straten leeg en de chauffeur reed door, door de lege straten
waar papier en plastic een
veilig heenkomen zochten voor de naderende dag na een drukke nacht.
En de
zwerver sliep. Hij sliep vast. Hij merkte het zelfs niet dat broeders hem op een
brancard bonden met een doek over zijn hoofd en dat hij zonder sirene werd afgevoerd.
Weg, weg uit de steeg, naar een beter oord.
En voort snelde de taxi
toen het licht groen werd, dit in scherp contrast met de door wolkenkrabbers niet
zichtbare horizon die diep rood van kleur was.
De taxi hielt halt. Hij stapte
uit, rekende af en de taxi
keerde. Deze reed dezelfde weg terug alleen aan de andere kant van de weg dan
zij hadden gereden. Zou het verschil maken?
De taxi ging de hoek om en verdween.
Hij
opende de mazen van het net en liep de ruime ontvangsthal binnen.
Een schoonmaakster slofte haar kar achterna die haar door de zalen trok totdat
de laatste zaal schoon was gemaakt.
Hij volgde haar in tegengestelde richting,
zodat hij haar halverwege weer ontmoette. Even veel tijd voor schoonmaken,
bezichtigen en waarschijnlijk
ook voor scheppen. Het was Keith Haring.
Terug in de hal herkende hij haar
lopen. Hij opende de deur en keek de wereld in. Het was dag.
Hij volgde
een papieren zak naar de overkant van de weg en liep het zich daar gevestigde
restaurant binnen. Hij bestelde wat te eten en te drinken en staarde wachtend uit
het raam.
Zijn zwarte, lange jas rustte over de leuning van de stoel naast
hem en samen zagen ze de bediening van het bestelde en zagen ze door de ruit
het tot leven komen van mensen
die tegen de beweeg richting van de straat in liepen en dus nooit verder zouden
komen.
Ze zagen ze met de stroom mee zwemmen en ze zagen ze stil staan. Ze
zagen hoe ze werden gevangen in de netten. De netten van de maatschappij. De netten
waar zij vrijwillig in liepen en in bleven, terwijl hij zijn maaltijd at.
Het
lege bord verdween, hij betaalde en verdween. hij doolde door de straat
en zag de mensen zwemmen van net tot net.
De lucht was blauw, terwijl witte
wolken voort raasden. Ze raasden
voort, niet belemmerd door gebouwen. Alleen een enkel vliegtuig. Een enkel vliegtuig
dat hun meestal ontweek, maar nieuwe wolken vormde. De zon straalde.
De
lange jas rustte op zijn schouders. De stralen van de zon kletterden op de
zwarte stof en drongen door de stof en bevochtigden zijn lichaam.
Een zonnebril
beschermde zijn ogen tegen het verblindende licht.
Hij sloeg linksaf.
De
straat, of beter de steeg was verlaten. Grote schaduwvlekken van de huizen
verduisterden de kieren tussen
de straat en de huizen. Gehuld in het donker waren ze niet zichtbaar, alleen
voelbaar.
In rustige pas doolde hij door de rechte steeg op zijn doel af:
een deur, een groene deur van een wit, in de zon blinkend, huis met vele ramen.
Hij
drukte op de knop en hoorde de bel binnen rinkelen. Voetstappen liepen
tegen het geluid in naar de deur. De deur ging open.
De glimlach, in haar ogen,
keek hem aan. Haar blonde haar wapperde op de weg ebbende geluidsgolven naar
buiten en streken over zijn gezicht.
Zijn
armen lagen om haar heupen toen hij haar tegen zich aan trok en
haar lippen kuste. Ze gingen naar binnen.
Hij nam plaats in de hoek van het
bankstel en leunde zo met zijn rug zowel tegen de rugleuning als tegen de armsteunen.
Hij kon haar kamer zo volledig bewonderen.
De ruime kamer met de bank
tegen twee muren, een tafel met bloemen in het midden op een tapijt, een open
haard; zwart en gedoofd.
Zij kwam tegen hem aan zitten en viel met haar lichaam
tussen zijn zwarte jas en
zijn lichaam. Zijn handen rustten op haar schoot en speelden tussen haar lichaam
en haar broek. De knoop stond open met daaronder de blote buik met de diepe navel
en het rustende T-shirt. Hij voelde haar zachte huid en de harde haren die
als zijde krulden. Hij voelde haar warmte, hij voelde haar hoofd op zijn schouder
en hij zag haar tepels prikken door de stof van haar shirt. Hij kuste haar
hals.
Dieper duwde hij zijn hand in haar broek. EŽn been lag op de bank, het
andere stond op de grond. Haar
knie wees naar de haard: de open-haard.
De steeg was warm, donker en vochtig.
Hij liep hem op en neer en hij voelde dat ze haar lichaam tegen hem drukte.
Diep drukte ze haar door spijkerbroek omgeven billen in zijn kruis. Hard drukte
ze haar rug op zijn borst en wild drukte ze haar hoofd op zijn schouder.
Haar
tong streek over haar lippen, de ogen gesloten. Hij kuste haar lippen en slikte
haar tong en liep de gang op en neer.
Hoe groter de druk, hoe groter de
druk. Hij vergrootte de druk.
Geperst
tussen haar warme lichaam en de bank drukte hij zijn hand tussen haar
benen en drukte, drukte diep.
Languit lag ze tussen zijn jas en zijn lichaam
en kuste ze zijn lippen.
Zweet parelde en rolde tussen haar ogen door naar
haar wang. Hij likte.
Diep was haar ademhaling, dieper werd haar ademhaling
en haar benen persten en knepen de lucht uit haar longen en openden zich en zogen.
Diep,
dieper, op en neer. Haar longen zogen en langzaam verdween de lucht,
de druk.
Haar hete lichaam
lag tussen zijn lange, zwarte jas en zijn lichaam. Haar hoofd, bezweet, rustte
op zijn schouder en zijn hand lag tussen haar benen.
Hij kuste haar voorhoofd
en streek met zijn hand over haar blanke lichaam tussen de rand van haar broek
en het plakkende T-shirt. Hij streek over de navel, de diep liggende navel.
Langzaam
kroop hij onder haar vandaan.
Haar lichaam ligt op de bank.
Het T-shirt plakt om haar borsten en haartjes schijnen door haar gulp.
Hij
nadert de groene deur en verblindend
licht schijnt in zijn ogen als hij de deur opent en sluit.
De straat,
of steeg, is verlaten. Schaduwen hullen de steeg in duisternis en hij doolt door
de steeg en verdwijnt in de straat.
Hij roept een taxi en stap in. Ze rijden
de straat uit richting de nacht. Langzaam wordt het donker en verdwijnt hij.
Hij verdwijnt in de leegte.