Vervreemding

Klaterend goud van de stad, dat van vergane glorie, naar beneden komt vallen. Ook hij droeg zijn leven als een balast, in een rugzak. De wegen die nogsteeds zijn stappen volgden als gehoorzame slaven. De eeuwigheid begon langzaam zijn sporen in zijn gezicht te drukken, terwijl hij als een jojo terug bleef komen naar dezelfde plek.
Het was de verontrustende onzekerheid van het leven die hem steeds deed terugkeren in deze oase en die hem elke keer ook weer deed gaan. De enorme stad die hem de zekerheid van de anonimiteit gaf en die hem ook zijn eigen zekerheid afneemt. Zijn geloof in zichzelf die wordt gereduceerd tot nietigheid.
En zij die daar nog wat bovenop doet. Haar lust als hij komt en de eenvoud van een dieet als hij weg wil. Alsof er geen noodzaak is voor zijn aanwezigheid.

Hij was ouder geworden. Zijn verrassingen kwamen nu meer van binnenuit. Het was een wilde stroom van ontluikende bloemen die zijn heldere brein doorstroomden. Met elk ontwaken van een gedachten knop dreven geuren en kleuren van schoonheid, sensaties, door zijn verstokte lichaam. De zwierigheid waarmee hij vroeger de straten had veroverd was overgegaan in een bedachtzaam lopen.

De overweldigende hoeveelheid liefde die een beklemmende werking had, had een ingang gevonden. Niet langer was het een ge‘tst beeld van een foto. Niet langer verdwaalde wegen in een landschap waarvan hij geen deel uitmaakt. Vluchtend had hij het beeld van zijn omgeving vergruisd om hier terug te komen, de slot som.
Natuurlijk was er niets veranderd. Het waren zijn gedachten die de tijdspanne niet overbrugd hadden. De beelden in zijn hoofd hadden de kier gemaakt die hem deden verbazen over zoveel onbekendheid.
Winkels waren verdwenen en verschenen. Het park was er nog, vervuild. Mogelijke en onmogelijke creaturen hadden zich verzameld rond het bankje en in de struiken. Een fietswiel had de vastigheid verruild voor de artistiekieteit van verdord lover. Een flinterdunne laag sneeuw zou de vervreemding compleet gemaakt hebben, maar de werkelijkheid wilde dat het niet zo was, hoewel de temperatuur rijp mogelijk maakte, wat slechts ijzel was.
Ook de neonreclames flikkerden niet. Alles dat er had moeten zijn, of altijd zo geweest was, was er niet. Dat wat zijn veranderd innerlijk had moeten ontkennen, bevestigde dat het alleen maar.
Een druillerige verzuurde regen trok versneld eeuwen oude gebouwen naar beneden. Het verval was ingezet. De kerk met zijn beelden die langzaam zijn scherpe randjes kwijt raakte. Ooit het borstbeeld van een samenleving en nu weggespoeld door datzelfde gezin, leeg ook.
Zelfs de geluidswal van de winkelstraten moedigde hem niet aan verder te gaan. Innerlijk had hij zich verzoend met de werkelijkheid, maar de prikkels van diezelfde werkelijkheid vroegen om herzienning. Toegeven daaraan zouden hem brengen waar hij altijd geweest was; dwalend over aan hem voorbij trekkende straten. Hij wist niet of de ontkenning of acceptatie vooruitgeng zouden betekenen. Hij wist alleen dat hij daar wilde zijn.

Waardeloos dat was het. Die vergeelde straten waar de vergankelijkheid van roem vanaf straalde. Verloren stond hij voor de groene deur. De lucht blonk als een zilveren plaat, er was geen vliegtuig te zien.
De vrieskou en zijn ijzige vingers in zijn zakken, alles gaf hem een gevoel van onvermogen. De gladheid van de straat dat dat niet ontkent. Hij wist opeens niet meer zeker of hij hier moest zijn. Haar haard zou waarschijnlijk branden, haar lichaam krimpen onder zijn strelende handenÉ

De straat die jarenlang zijn reisgenoot was geweest lag nu hard en vastgevroren geklemt tussen de huizen. Zoals hij zich eens voor had genomen om hier niet meer te komen, zo verlangde hij nu naar het open gaan van de deur. Niet door zijn toedoen, maar spontaan, elk dilemma wegnemend.
De overwinning van het asfalt was tegen gevallen, de straten waren gebleven. De vervuiling was glorieuzer geweest. Langzaam was de hoeveelheid gegroeit en daarmee zijn blindheid om het te zien. Het leek erop dat zelfs zijn blik dicht gemetseld was.
Met het vallen van het doek was zijn lust verdwenen. De enorme vlam die hem gedreven had leek nu, in het felle schijnsel van de vrieslucht, een gashaard met lavahout. Hij verlangde naar haar nog door authentiek hout gestookte haard. De romantiek van een verduisterde kamer met springende vonken en sprankelende glazen.
De moed en zelfstandigheid die hij vroeger had gehad leken te zijn achtergebleven bij zijn kisten in de pompstation WC. Zijn nieuwe schoenen hadden hem dichter bij de straat gebracht. De verhevenheid was verdwenen. Net als zijn tot flarden vervallen zwarte lange jas, die hij verruild had voor een blauw faal spijkerjack. De wereld was verworden, zijn dromen gebleven, maar nog slechts in zijn slaap.

Hij zou het voorheen als een overwinning van haar hebben gezien, en dus een zwakte van hemzelf, als hij bleef. Nu besefte hij dat dat zijn beweeg redenen waren geweest over de heuvels die de stad omzoomden. Bewegen, vooral weggaan, zorgde ervoor dat hij niet vast kwam te zitten en dat was wat er nu stond te gebeuren.
Na het bellen zou hij zijn hart openen en zij zijn blikveld verder sluiten. Om daarna nog slechts samen een andere wereld te verkennen, van binnen uit. Gekluisterd als voor een televisiescherm zouden ze de wereld omzich heen zien veranderen, terwijl zij dezelfde bleven. Seizoen na seizoen zouden ze langs hun vlakke beeldbuizen zien gaan terwijl het binnen altijd zomer zou zijn, ondanks de onenigheden.
Toen ging de deur open en was er geen weg meer terug.