Verboden
te voederen
Lopend
door de galerij der woorden die in beelden zijn ingelijst, bleef het
hem verbazen dat bij elk schilderij een titel hing, alsof dat nodig was. Het
leek erop dat de schilder, zo onzeker van zijn eigen werk, nog eens in woorden
wilde vertellen wat hij geschilderd had. Het was daarom dat hij de statige toegang
weer snel verliet en zich dolend door de stad begaf.
Veel was er sinds
die laatste keer niet veranderd.
Nog steeds lagen de slachtoffers van de nacht in de kieren van het leven. Hun
verdroogde tranen spoelden naalden naar de put en ze vonden hun weg naar het riool.
De
zon brandde weer op zijn zwarte lange jas, maar haar zou hij nimmer
meer opzoeken. Die groene deur in het witte portiek was nog slechts een titelloos
schilderij in zijn geheugen en dat moest zo blijven ook. De tijden waren veranderd,
zo ook de mensen en hij moest verder.
De zwarte asfaltstroom trekt
aan het trottoir voorbij. Het is
de vergiftigde gracht, hierbij gedoopt tot Hare Majesteits autoweg. De tijd dat
hier een trekpaard liep, in de sporen van zijn voeten, zijn nog verder voorbij.
Het
zijn de roet walmen die op de gebouwen kleven en langzaam het leven
verduisteren. Steeds nader komen de wanden. Zij verdringen het voetpad totdat uiteindelijk
hun zwart zal aansluiten op het asfalt om zo ŽŽn donkere steeg te vormen
waarin alleen de koplampen nog het licht aan het eind van de tunnel zijn.
Maar wee degene die daarin zijn
uitweg zoekt.
Hectisch raasde het verkeer langs hem heen om een veilig heenkomen
te zoeken. Dat was zijn bedoeling niet. Omhoog kijkend bleek het vliegtuig
er nog te hangen, ook toen vlogen er al mensen in blikken over huizen, zee‘n
en besneeuwde vlakten. Het is zeldzaam dat deze reuze vogels op andere plekken
naar beneden komen dan op hun nesten. Gebeurd dat echter wel dan zijn de gevolgen
meestal erger dan bij hun natuurlijke variant, maar dat heet vooruitgang; we
kunnen meer, maar als het fout
gaat gaat het fouter.
Hij zou zo willen zijn, als een vogel. Zwevend over
de landschappen om zo iets van de wereld te zien. Nu doet hij dat lopend. De vlerken
van zijn jas klapperend tegen zijn kuiten en ze jagen hem op.
Een
spiegelende ruit viel verbaasd uit zijn sponning en werd gevolgd door een kreet
en een stoel. De naderende nacht had bij een enkeling al de dronkenschap gebracht.
Als hij dan toch deze klote, tering tent moest verlaten dan toch zeker niet
via de deur. Verdoofd maakte
de man zich los van het glaswerk en verdween zichtbaar door een bloedspoor.
Mike
keek door de gapende wond de zaak binnen en voelde zich de artiest op het
podium. Iedereen stond en ze staarden door het lijstwerk zijn verschijning aan.
Hij wachtte nog even op de ovatie, maar die bleef uit en daar ook de dronkeling
niet terug kwam restte hem niets anders dan het podium te verlaten en zich terug
te trekken in de kleedkamer.
De friettent op de hoek bood uitkomst voor
haar afwezigheid. Hoererend lag
het vlees achter de ramen. In ruil voor geld ging het raampje open en hij pijpte
een kroket naar binnen.
Ook dat is een nieuwe rage, het afsnijden van penissen
door egaas of vriendinnen. Oprechtere penisnijd zal men nimmer treffen.
Dat
was iets dat zij fantastisch had gekund, zijn hele penis naar binnen zuigen
alsof hij er niet meer was. Maar het is zij die er niet meer is. Zijn dwalingen
langs het middernachtelijk leven en zijn ongeregeld verschijnen hadden haar
aangetrokken, maar het was tevens
de reden geweest dat hij de taxi had moeten nemen naar de nacht. Hij had nog
om gekeken om het schaamrood achter de wolkenkrabbers te zien branden. Vurig
joegen de stralen tranen in zijn ogen. De ÒWaar heen?Ó-woorden van de chauffeur
werden als deeltjes door de nucleaire wind verjaagd.
Nu terug in deze alles
omvattende stad bleken de gevolgen van de fall-out minder dan verwacht. Misschien
was hij het enige slachtoffer van zijn atoom-verbeeldings-ramp. Ook in het
park was de fall-out niet erger
dan de plastic zakken en bekertjes en wat half verroestte blikjes. Bomen toornden
hoog boven de kunstmatig aangelegde waterplas. Het plastic was niet eens zo
onnatuurlijk, alswel schadelijk voor de hier op natuurlijkewijze verzeild geraakte
vogels. Hij was er daar ŽŽn van.
Hij hurkte en vouwde zijn jas onder zijn
gat en ging zitten. Het zou wel even duren voordat de schemering plaats zou
maken voor het duister. Er was nog tijd genoeg.
De nacht die duister zijn
sporen trok door de toch al zwarte
stad was op zijn donkerst. Aan het hemelgewelf prijkte geen ster of maan,
er was totale duisternis. Het nachtleven bruiste achter open deuren. De warme
lucht, zwanger van zweet, bier en rook, dreef de koele avond in en condenseerde
zijn zure tranen van gemiste kansen en verspilde energie op blinde ruiten.
De
straten waren rustig. Hij gleed als een schaduw door de straten. Geruisloos
op zijn zwarte kisten marcheerde hij langs het legioen van cafŽ deuren. Hij inspecteerde
elke ingang om te kunnen
beslissen waar hij uiteindelijk naar binnen wilde. Neonletters flikkerden boven
een raam en lokten hem met bluesmuziek naar binnen tegen de stroom van verhitte
lucht in.
Gezeten aan de bar, zijn jas nog om zijn schouders, bestelde
hij zijn drinken en zwierven zijn ogen door de ruimte. Alles werd in ogenschouw
genomen en hij wist dat zij er was. Het licht gebroken door de deeltjes rook
hadden haar niet kunnen verhullen. Mistig als in een visioen stond zij daar zichzelf
te zijn in zijn zelfgekozen
isolement.
Met zijn drinken in zijn hand en een pakje sigaretten in de aanslag
liep hij op haar toe. Verbaasd keek ze hem aan en nam, zonder iets te zeggen,
een sigaret. Een vonk sprong, de vlam brandde. Ze zoog de rook naar binnen
en even later steeg de rook, uit haar mond omlaag. Ze rook even in zijn nek. Ze
wist dat hij het was, maar toch. Ze verlieten rokend de kroeg door de lijst van
de deur, hun drinken achterlatend, verdampend in het glas.
Ongezien paradeerden
ze door de donkere straten.
Haar arm klemde stevig in de zijne. Een maalstroom van gedachten drong zich
op en overspoelde de stilte van de nacht. Ze liepen naar het park alwaar nu
een versluierde maan zijn licht kaatste op het water. Een reflectie van een reflectie,
gelijk hun hernieuwde ontmoeting.
Projecterend dachten ze verder te
kunnen gaan waar ze de vorige keer afscheid hadden genomen. Kaatsend sloegen ze
elkaar gade, niet de bal verwachtend.
Geen acht slaand op de enorme luchtkolom
die verplaatst moest worden
vielen ze elkaar in de armen. Molekulen verpletterend tussen hun tegen elkaar
gedrukte lijven.
Een muur van duisternis omzoomde hen en dus nam ze grote happen
van de kroket alsof ze uitgehongerd was. Pas toen de eiwitten haar ergste
honger gestild hadden voelde ze zijn handen die haar borsten kenden. Het deeg
voor de volgende maaltijd werd bereid. Het moest goed luchtig zijn.
Zijn handen
openden haar blouse en haar borsten glansden zacht in het maanlicht. Hij proefde
de deegwaren en tastte, blind
in het duister, opzoek naar de krent. Zachtjes wellen in veel vocht, zodat
hij tijdens het bakken niet verbrand, rolde hij de krent tussen zijn vingers.
Zwaar ruisde haar adem in zijn oren en zij sprak hem toe.
Niet veel later was
alleen nog het ruisen van de bomen te horen en het zacht kabbelen van het water
tussen het riet. Ze geloofden het zelf niet, maar wisten dat ook dit niet duren
kon. Zolang als de duisternis ze voor elkaar verborgen hield en alleen de tast
ze tot elkaar bracht zou het
goed gaan. Bij de eerste ochtendstralen brak opnieuw het glas van een te kristalle
relatie.
Hij wilde blijven vliegen, zwerven, terwijl zij hem kooien wilde.
Een zeldzaam exemplaar opsluiten, verboden te voederen, en sparen voor het
nageslacht, opdat zij en niet hij ervan genieten kon.
Het bordje dat bij zijn
kooi geplaatst had moeten worden hing nu naast het schilderij van de groene
deur in het witte portiek. Hij nam een taxi opweg naar de ochtend zonder nog om
te kijken en verdween tussen de
twee bolle heuvels die de stad begrensden.