"Dag!"
Druilerig
droop de regen voort. Ik bewoog mij rustig, opweg naar
het station. Nog twee straten en ik zou er zijn geweest, ware het niet dat ik
doorliep in de parallelle straat en dus nooit het station bereikte.
Thuis gekomen
trok ik mijn natte kleding uit en hing deze te drogen. In mijn joggingpak
plofte ik in de stoel voor het raam en staarde door de ruit naar buiten; naar
de haastende mensen op straat en
de druppels die via het kozijn in vrije val naar beneden vielen.
Dan de telefoon
in het ritme van de regen. Ik neem op. Jij bent het. Je staat op het station
te wachten. Waar ik blijf?
Ik lieg dat ik me verslapen heb en ik vraag
je of je nog naar me toe komt, je gelooft en belooft.
De deurbel gaat. Ik
doe open en nat sta jij voor me. Ik laat je binnen.
Meteen trek je je natte
kleren uit en hangt ze naast de mijne te drogen. Uit een plastic tas haal je
een T-shirt en trekt deze aan.
Je stapt in de nog warme stoel en met het shirt over je opgetrokken knieën staar
je naar buiten.
Ik zet koffie en schenk voor ons beide in. Ik zet de koffie
voor je op tafel en ga op de bank zitten. Stilte.
We drinken onze koffie en
praten niet. Warm is de koffie, koud de kamer. Als een zielig, klein hoopje mens
zit je daar, terwijl het regenwater uit je haar op het shirt druppelt.
Wat
wil je eigenlijk? Voor mij is het afgelopen. Dat is het enige dat ik zeker weet:
het is afgelopen. De vraag
is alleen: Hoelang nog?
Niet.
Ach, wat valt er ook te zeggen? Woorden zijn
niet nodig. Woorden doden tijd en dat is nou net wat ik niet nodig heb.
Je
eerste woorden waren, toen ik je belde om te zeggen dat het voor mij over is:
"Hoe kan dat? En ik?"
Ik weet het niet, geen van twee.
"Kan ik wat voor
je doen?" Je verbreekt de stilte.
"Nee, dank je. Ik ben blij dat je toch gekomen
bent."
"Waarom kwam je me dan niet van het station halen?"
Waarom?
Ja, waarom? Daarom, omdat ik wilde
dat je voor mij kwam en niet uit sociale verplichtingen. Door niet te komen
gaf ik je de kans zonder schroom terug te keren, maar je keerde niet. Daarom.
"Omdat
ik wilde dat je vrij was."
Weer die stilte, die stilte van het patetisch
wachten. Wachten, ik wil niet wachten, ik wil nog zoveel, maar waarom zou
ik. Jij bent er.
"Waarom ga je niet iets doen? Je wilde nog zoveel schrijven
en schilderen."
Ik zou wel willen, maar ik kan niet. Mijn hele geest is geblokkeerd
en reageert niet meer
op mijn willen. Grootse schilderijen zou ik willen maken en bladzijden zou ik
vol kunnen schrijven, maar het gaat niet. Alles is opeens zo verdomd zinloos.
"Wat
moet ik er mee?"
"Dat wat je er altijd mee moest. Gebruik het als uitlaatklep."
Een
uitlaatklep, het lijkt een kattegat. Zo één waardoor poezen
van binnen naar buiten kunnen en omgekeerd. En dat laatste daar zit ik mee.
De
therapeut zei al: 'Gooi het eruit'. Dat heb ik gedaan, maar wat krijg ik ervoor
terug. Niets, alleen leegte,
een enorme leegte.
"Nee, voor mij geen uitlaatklep meer. Alleen nog een uitvaartklep."
Even
een glimlach, even weg alle droefheid, even verlost van alle
beklemmingen. Zelfs de regen stopt, even.
"Ga je mee uiteten?"
"Ja, lijkt
me lekker. Waar gaan we heen?"
De doemgedachten drijven even weg om plaats
te maken voor eten. Wij, gezellig, met z'n tweeën, romantisch bij kaarslicht.
Eten,
waarom eten? Eten is voor de levenden om te overleven, maar ach, het
is ook lekker en ik ben er even
uit.
Uit? Uit! Langs al die mensen die naar je staren, want gepraat wordt
er. Al die mensen die het weten en geen woord meer tegen je zeggen. Alleen, ge•soleerd
tussen alle mensen.
Maar we gaan toch, op een eiland, we negeren ze
allemaal. We zijn uit, samen.
Nog even wat nazitten en dan terug. Geen kroegje
zoals vroeger. Ze weten het allemaal. Ze weten het allemaal en toch. Maar
nog even, nog even en dan is het over. Ik weet het.
We drinken nog een
borrel. Jij moet weer terug. De
laatste trein? Ja, de laatste trein.
Ik weet voor mij is het straks voorbij
en voor jou begint het dan pas.
"Hou je taai.", zeg ik je.
"Van hetzelfde."
Ik
geef je mijn leven en zie een glimlach om je lippen en de droefheid
in je ogen. Je bent me dankbaar, maar ik ben degene die dankbaar moet zijn. Ik
wens je welthuis en kus je, nog één keer. De laatste keer.
Ik zeg: "Tot ziens.",
maar ik bedoel: "Dag!"
En sluit de deur.