De
Kust
De
Zwarte Engel
Het was vroeg in de morgen toen de Zwarte Engel
voor het laatst sprak. De duisternis lag wat verlaten over het landschap.
In
het gras lag een persoon, een jonge man. Hij droeg een vale spijkerbroek en een
T-shirt met daarover een trui. Naast hem in het gras lag een verbleekte pukkel
en een spijkerjack. Hij was een reiziger opzoek naar een bestemming die hij niet
zeker wist. Hij was geen zwerver,
maar een reiziger of beter een dolaard, dat was hij.
De Zwarte Engel
sprak in termen van begrip, gelijkheid en vertrouwen. Ze had hem verteld dat ze
hem begreep in zijn zoeken, dat ze hem daar zelfs bij zou helpen. Steeds als hij
hulp nodig dacht te hebben hoefde hij haar maar te roepen. Als hij de woorden
Ôhelp meÕ alleen maar zou denken zou ze er al zijn.
Dat waren haar laatste
woorden geweest, toen was ze verdwenen.
Wat vooraf ging
De
duisternis was die avond
vroeg gevallen en de jongeling had besloten de nacht hier in het gras door te
brengen. Het was die nacht warm geweest.
Nog nauwelijks had hij zich gestrekt
onder de wolkeloze hemel of tussen het getwinkel van de sterren hoorde hij voetstappen.
Iemand liep in het gras zijn kant op.
Stil bleef de levenszwerver
liggen in de hoop niet opgemerkt te worden. Toen er echter een licht over zijn
ogen scheen wist hij dat hij ontdekt was. Hij sprong op. De adrenaline stroomde
door zijn lichaam. Voorzich
zag hij een donkere vlek met lichtende contouren van een vrouw. Ze had half-lang
donker haar, een in het sterrelicht glimmende jas en ze droeg een broek. Haar
gezicht kon hij niet zien.
De duistere persoon met de licht contour had de
jongelingsÕ schrik bemerkt en stelde hem gerust. Ze zou hem niets doen.
Als
vanzelf sprekend kwam ze bij hem zitten en begon te vertellen.
Ze kwam van verre
en ze had hem zien zoeken. Ze wilde hem graag helpen. Op zijn beurt vertelde
de dolaard haar zijn verhaal
en al pratend ging de avond over in de nacht en de nacht over in de ochtendschemering.
Dit
was het moment geweest waarop ze moest vertrekken, maar voordat
ze vertrok vertelde ze hem nog dat hij de zee moest zoeken en toen verdween ze.
Niet zoals ze gekomen was, lopend, maar ze loste op. Ze loste op gelijk de duisternis.
Het was dag.
Op zoek naar de zee
Vermoeid
was de dolende niet. Het was alsof hij de hele nacht geslapen had. Fris en monter
stond hij op, pakte zijn jas
en pukkel en vertrok. ÔRichting zeeÕ, had ze gezegd, maar welke kant was dat?
Hij
zocht het pad weer op dat hij de vorige dag verlaten had en vervolgde zijn
weg in de hoop verderop wegwijzers te vinden of iemand tegen te komen die hem
de weg kon wijzen.
Een uur ging voorbij zonder dat hij iemand tegen kwam en
ook de weg leek zich eindeloos te strekken, zonder enig zijspoor of een splitsing.
Opeens herinnerde hij zich echter de Zwarte Engel haar woorden. Onbewust
sloot hij zijn ogen en prevelde:
ÒHelp me.Ó
ÒJa, wat is er?Ó, ze stond voor hem. Nu kon hij ook haar gezicht
zien. Het was mooi, maar het had iets roofvogelachtigs. Het had iets weg van
een havik.
ÒDe zeeÉ, de zee waar kan ik die vinden?Ó, stamelde hij verbaast
over haar verschijning.
ÒHeb vertrouwen, je zult haar vinden.Ó en meteen was
ze weer verdwenen.
Veel schoot de jongeling er niet mee op, maar hij had vertrouwen
en dus vervolgde hij zijn weg. Zijn zon brak door en hij lachte, innerlijk.
Zijn ogen straalden en hij
dacht aan de wonderlijke verschijning. Bestond ze echt, was ze een engel, een
hersenspinsel of een droom die werkelijkheid werd?
De landschapszwerver wist
het niet en hij wist ook niet wat hij met haar moest, maar leuk vond hij het
wel. Hij straalde, zijn ogen glinsterden en hij vervolgde zijn weg naar wat komen
ging.
De dagen gingen voorbij. De zon kwam op, de zon ging onder, alleen
zijn innerlijke zon bleef dag en nacht schijnen. Op kruispunten ging hij zijn
neus achterna en in goed vertrouwen
zwierf hij door landschappen en dorpen.
De jongeling vertrouwde blindelings
op de Zwarte Engel en af en toe sloot hij zijn ogen en sprak: ÒHelp me.Ó
Dan
hield ze hem gezelschap. Ze spraken samen, maar nooit meer vroeg hij haar
waar de zee lag. Hij zou er komen, hij wist het zeker.
De zee
En
zo kwam hem opeens, tegen het einde de twaalfde dag, een frisse
zeewind tegemoet. Diep zoog de dolaard zijn longen vol en verkwikt door deze
zuivere lucht was het alsof hij
net geslapen had. Hij stormde over de duinen, struikelde een keer, stond weer
op en rende verder tot de top van het laatste duin.
Voor hem lag opeens een
zee van ruimte. Een koele bries speelde met zijn haar. Scherp kaatste de zon in
zijn ogen en tranen rolden over zijn wangen. De dolaard spreidde zijn armen en
rende in zweefvlucht naar beneden. De wijdheid van het strand en de schijnbare
oneindigheid van de zee brachten hem in vervoering. Lang stond hij sprakeloos
te staren. De zon weerkaatsing
werd langzaam minder sterk en veranderde in een rode gloed.
Bekomen van de schone
openbaring nam de dolende plaats aan de voet van het duin en hij liet de
wijnrode gloed op zich stralen.
ÒDank je Zwarte Engel, dank je.Ó, prevelde hij.
ÒHet
is goed, rust maar uit, er is meer.Ó, sprak zacht haar stem. Het verwonderde
hem niet. Natuurlijk was zij daar en even natuurlijk was zij ook meteen
weer verdwenen.
Hij was weer alleen met zon, zee en strand. Verlaten, genietend
van de eenzaamheid, de rust
na zijn lange tocht. Nog even en de dag zou voorbij zijn, de nacht zou een
aanvang nemen en dus strekte hij zich en sloot zijn ogen.
De Zeenimf
De
nacht trok voorbij en het waren de eerste stralen van de dageraad
die hem wekten. In de zacht rode gloed zag de levenszwerver iets drijven
in zee, als een eiland. Het dreef niet alleen, het leek wel te zwemmen. Was het
een zeehond?
Uit gewoonte raadpleegde de levenszwerver de Zwarte Engel. Hij
begon gewend te raken aan haar
alwetendheid. Zij verscheen, maar ze sprak niet. Zij volgde zijn blik en staarde
samen met hem naar het bewegende iets. Na enige ogenblikken vroeg de zwervende:
ÒWat is het?Ó
ÒGa maar kijken, het is goed.Ó en langzaam loste ze op in
het niets en haar leegte bleef achter.
De jongeling stond op, liep naar de
waterkant en ging kijken. ÔHet ietsÕ zag hem komen en zwom naar de kant. Het was
lichter van kleur dan het van afstand leek. De jongeling herkende een hoofd,
een hoofd met lang haar, een menselijk
hoofd.
Verbaasd bleef de jongeling staan kijken. De persoon, want dat
was nu wel duidelijk, zwom niet meer, maar liep naar de kust. Onder het hoofd
met blond haar verschenen schouders en borsten en een midden en toen bleef ze
staan. Ze lachte.
Nog steeds verbaasd bleef de jongeling staan staren.
ÒHoi,
heb je misschien iets van een handdoek voor me? Je dacht toch niet dat ik zo
uit zee kwam?Ó
Een handdoek had hij niet, maar wel een lang T-shirt. Hij gooide
die naar haar toe en ze ving
hem behendig op. Toen liep ze de zee uit. Het T-shirt was droog en zij was
droog. Hij geloofde zijn ogen niet.
Land en Zee
Nog
steeds verbouwereerd bleef hij staan. Was het hier allemaal om begonnen, was dit
het doel van de omzwervingen geweest? De jongeling snapte het niet.
ÒWie ben
jij?Ó, wist hij eindelijk uit te brengen.
ÒWeet ik niet meer. Ik zwem al
jaren door deze woelige zee en ik ben het vergeten. Noem me maar zoals je wilt.Ó
Ongelovig
staarde de landschapszwerver
naar de jonge vrouw. Dat zij jaren lang in zee was geweest en nu zomaar
aan land stapte was niet te geloven.
ÒIk noem je Zee, omdat je daar vandaan
komt. Ik kan geen betere naam voor je verzinnen.Ó
ÒOkŽ, ik ben Zee, maar
dan ben jij Land, want Land en Zee ontmoeten elkaar altijd.Ó
Land en Zee
gingen aan de voet van de golvende duinen zitten en staarden over het landschap
van de zee. Land vertelde over zijn omzwervingen en over zijn ontmoeting met de
Zwarte Engel en Zee vertelde
op haar beurt dat zij met een dolfijn aan het spelen was waarbij zij per ongeluk
naar de kust waren gezwommen. De dolfijn had de jongeling op de top van het duin
zien staan en ze had tegen Zee gezegd dat ze moest gaan kijken. Ze was namelijk
de enige die kon gaan kijken daar zij benen had. En nu waren Land en Zee samen
op het strand.
De kust
Nu ze beiden hun verhaal
hadden verteld viel er een stilte. Ze waren beide zoekers, zowel Land als Zee.
Jaren hadden ze gezocht en nooit
hadden ze geweten wat ze zochten.
Net als het land en de zee waren ze al
die jaren elkaars buren geweest, gescheiden door de kust en daar was het waar ze
elkaar nu hadden ontmoet. Op die oneindig kleine strook die kust heet en die
de scheiding tussen land en zee vormt.
Land ging verzitten en Zee schoof tegen
hem aan. Ze kusten en Land en Zee vloeiden in elkaar over. Hun liefde was geboren.
En
zo ging de dag voorbij; brandend als de zon van fel geel op het midden
van de dag tot diep rood toen
de dag zijn einde vond. Daarna sliepen ze op het strand, naast elkaar, met
het donkere hemelgewelf en de sterren als hun deken.
Toen ze allang sliepen
stak er een wind op. De sterren verdwenen en alleen een fletse maan scheen nog
door de wolken. Langzaam wakkerde de wind aan en de zee werd steeds onstuimiger.
Tegen
de ochtend, bij het gloren van het eerste grijze licht van een stormachtige
dag, ontwaakten Land en Zee. Zee schrok, ze zag de ruige zee zijn golven
breken op de kust. Ze raakte
in paniek.
ÒLand ik moet gaan. Bij storm moet je altijd ver uit de kust zijn.Ó,
meteen rende ze de zee in en verdween tussen de wit schuimende golven.
Ongelovig
bleef Land staan staren naar de plek waar Zee in de golven verdwenen was
en steeds bleven haar laatste woorden door zijn hoofd spelen: ÔBij storm moet
je ver uit de kust zijnÉ Ver uit de kust zijnÉ Ver van de kust zijnÉÕ
Land
begon het duin te beklimmen. Hij voelde dat hij bang was. Hij moest ver van de
kust zijn. Boven op de duintop
keek hij nog even of hij Zee zag, maar toen zij niet zichtbaar bleek rende hij
verder landinwaarts, weg van de kust.
Verlaten
Dagen
later ging de storm pas weer liggen. Al die tijd had Land zich in de duinen verscholen
want hij wilde, als de storm zou luwen, terugkeren naar het strand.
En
nu, nu de storm voorbij was liep Land terug. De zee was vlak, maar er dreef
of zwom niets. De zee was leeg.
Land begon te twijfelen. ÔWas dit wel dezelfde
plek op het strand? Was hij
de vorige keer ook hier geweest?Õ
Land kon het zich niet goed meer herinneren;
de storm had veel van de duinen weg geslagen. Alles leek anders. Land had
de afgelopen dagen ook veel door het duin gezworven, zodat hij ook niet meer zeker
wist waar hij de vorige keer uit het duin vandaan naar het strand was afgedaald.
Hij kon best ergens anders op het strand zijn gekomen. Het strand was enorm
land, zowel voor als achter Land strekte het zich uit tot aan de horizon.
Verlaten
doolde Land over het
strand. Overal lagen stukken hout en wier, maar van Zee was er geen enkel spoor.
Wat moest hij doen?
Land wist het niet. Hij klom op het duin en staarde uit
over de zee. Hij zag Zee niet en de moed begon hem in de schoenen te zinken.
Land
was bang dat hij Zee nooit meer terug zou zien. Met een verzwaard hart
draaide Land zijn rug naar de zee en verdween in de duinen.
Het
besluit
In een duinpannetje zat Land te rusten toen hij opeens aan
de Zwarte Engel dacht. Direct was
ze bij hem.
ÒLieve Land, heb vertrouwen. Ze zal terugkeren. Vraag niet wanneer,
maar ze zal komen om jou te zoeken. Ik moet nu gaan. Er zijn anderen die
mij nodig hebben. Ik kom nog weleens langs.Ó
Zacht kuste ze hem op zijn wang
en verdween. De rest van de dag liep Land met zijn ziel onder zijn arm. De Zwarte
Engel had deze keer geen uitkomst geboden, behalve dan dat ze had gezegd dat
Zee terug zou komen, maar hoelang had hij niet moeten zwerven om de Zee te vinden?
Dit
kon weer lang gaan
duren, zeker zonder hulp. Land wist het niet meer. Als Zee hem zou gaan zoeken
dan kon hij het beste in de buurt van het strand kunnen blijven, maar wat moest
hij aan het strand? Daar is geen eten en geen drinken. Daar kon hij niet leven.
Het was er dood, dor en kaal, er was geen enkele beschutting.
Ook in het
duin was weinig eetbaars te vinden en daarom besloot Land om toch maar verder
te trekken, want het belangrijkste was dat hij in leven bleef. Alleen dan kon Zee
hem vinden.
Verder
De
omzwerving van Land duurde vele maanden. Strak trok hij zijn
sporen door het land. Hij logeerde op kleine boerderijen, die verscholen lagen
tussen de bomen. Onderwijl hielp hij de boeren op hun akkers. En zo kwam het
dat Land steeds verder van de zee af dwaalde. Om zich heen zag Land nu meer de
bossen en velden en soms wat heide.
Zee zou hier niet passen en toch bleef
hij gaan. Eens zou hij haar vinden of zij hem, dat maakte geen verschil. Ook de
Zwarte Engel had hij niet meer
gesproken, hoewel haar, evenmin als Zee, vergeten was.
Soms sliep Land in de
open lucht. Dan lag hij tussen de heide, waar hij Ôs ochtends wakker werd tussen
de flarden mist. De zon scheen dan zwak haar licht en tooide de bladeren met
haar warmte.
Land vond de velden dan op hun mooist. Nat van de dauw warmde
hij zich in de zon. Daarna trok hij weer verder en zo veranderde de natuur steeds.
Gras werd heide, loof werd naald en het leven ging verder.
De
hereniging
Rood
was de zonnegloed toen Land zijn ogen opende. Het was nog vroeg in de morgen en
koud. Het was donker geweest toen Land hier zijn slaapplaats had gevonden. Land
had zich gestrekt onder de vele sterren en was in slaap gevallen.
Een groot
heideveld omzoomd door bossen was waar hij zich bevond. De jongeling was radeloos,
wat moest hij toch beginnen om Zee te vinden. Hij begon haar te missen. Hij
dacht eraan om de Zwarte Engel weer te hulp te roepen, maar zij zou hem alleen
maar vertellen dat hij geduld
moest hebben. Ze zou weer verdwijnen en dan was hij nog niets verder. Zachte
tranen liepen over Land zijn wangen.
In gedachten verzonken keek hij nogmaals
om zich heen en dacht toen dat hij aan de waterige zoom van het bos Zee zag.
Land knipperde met zijn ogen, maar het beeld verdween niet. Het leek zelfs of de
persoon naar hem toe kwam.
Snel sprong Land op en rende naar zijn geliefde
Zee, want het was haar werkelijk. Ze vlogen elkaar in de armen en straalden samen
feller dan de zon.
ÒHoe
kom je hier, hoe kan jij hier leven?Ó
ÒZoekend naar jou kan ik overal leven.
Kom we gaan.Ó
Terug naar zee
Hand in hand zwierven
Zee en Land terug naar de zee. Het leek niet zo lang als het in werkelijkheid
duurde. Dat kwam omdat ze samen waren. Toen ze op het strand aankwamen was de zee
kalm en glad en zwom er iets als een eiland heen en weer.
ÒDat is de dolfijn
waarvan ik je vertelde.Ó, legde Zee uit, ÒIk ga haar even vertellen dat je
er bent.Ó en meteen dook Zee te
water. Land keek haar na en zag de dolfijn met zijn staart zwaaien. Land zwaaide
terug.
ÒLandÓ, sprak een stem naast hem, Òik zou je wat willen vragen.Ó
Verbaasd
keek Land de Zwarte Engel aan, want zij was het natuurlijk die tegen
hem sprak.
ÒJij, mij iets vragen? Maar natuurlijk mag dat.Ó
ÒIk laat je
nu alleen, je redt het verder zelf wel, vind je dat erg?Ó
ÒNee, natuurlijk niet.Ó
ÒGoed,
dan ga ik nu.Ó
ÒDank je Zwarte Engel en het ga je goed.Ó
De
Zwarte Engel loste voor de laatste
keer op en de jongeling rende naar de zee om daar zijn tranen weg te spoelen.
Samen
met Zee en de dolfijn speelde hij in de golven die er niet waren
en toen Land en Zee zich op de kuststrook verenigden was het de dolfijn die de
heilige woorden sprak, waarna zij beiden ÔjaÕ zeiden.
Nog vaak zwemmen Land
en Zee met de dolfijn en nog vaker liggen ze lui op het strand, want dat is de
plek waar Land en Zee thuis horen, namelijk op die oneindig smalle strook die
kust heet.