Desiree & De Wereld


Inhoudsopgave

"Ik
wil alleen
maar weten
wie
ik ben.

Een andere reden
om te schrijven
heb
ik niet.

Maar
wie ik ben
gaat niemand
wat aan.

Jan Arends (Uit: Vrijgezel op kamers. De Bezige Bij, 2003)"

David schudde Desiree de hand, het was 2 januari, en David was opslag liefd. Daar zou zijn vriendin niet blij mee zijn. Desiree, was de nieuwe collega in de kamer naast hem met een gezamenlijk balkon.

Roken bleek zijn verbond met Desiree. Er mocht niet meer binnen worden gerookt, en dus stonden ze buiten. Langer en langer duurden de pauzes. Zonder schaamte werd een tweede opgestoken, omdat een sigraret niet voldoende was voor de hoeveelheid gesprekstof. Er was veel in te halen, zo'n vijfendertig jaar, of eigenlijk zo'n zeventig.

De taal brengt onduidelijkheid, verwarring en beperkingen. Een van de grootste vragen uit de filosofie is de vraag "Wie ben ik?".

De vraag "Wie ben ik?" is een moeilijke omdat het vragend voornaamwoord wie vraagt naar een identificering van een persoon of van personen. Het meest logische antwoord zou iemands naam moeten zijn, of een reeks ACGT volgorden of het sofinummer, als het maar een unieke identificatie is. Het vreemde aan wie is dat er binnen de taal een vragend voornaamwoord is dat alleen voor personen geldt. Alsof een persoon, de mens, buiten de rest van de wereld staat. Voor de overige zaken gebruiken we wat. Het lijkt erop dat de speciale rol die de mens in de taal heeft ervoor zorgt dat vragen onnodig complex worden. Misschien moeten we bij vragen naar de mens ervan uitgaan dat de mens niets bijzonders is, maar onderdeel is van de wereld en dus ook in de taal deze bijzondere positie verliest.

Het onderscheidt tussen mensen en de andere dingen zit in de taal verankerd via de woorden wie en wat. Om die bijzondere positie te verliezen zou het voldoende zijn om wie te schrappen.

De vraag "Wie heeft dit verhaal geschreven?" kan worden geformuleerd als "Welke schrijver heeft dit verhaal geschreven?". In de taal is "wie" meestal te vervangen door "welke persoon" of "welke personen", of "wat is" als in "Wat is de naam van...".

Moeilijker wordt het in zinnen waarin "wie" het naamwoordelijkdeel van het gezegde is als in "Wie zijn deze mensen?" of "Wie zijn David en Desiree in die groep mensen?", bij deze constructies wordt het al snel noodzakelijk om duidelijker te zijn in de vraag stelling: "Tot welke familie behoren deze mensen?" of "Op welke plek staan David en Desiree in de groep?".

"Wie zijn deze mensen?" is uberhaupt een vreemde vraag waarvan niet meteen duidelijk is wat de vrager weten wil; de antwoorden zijn legio. De communicatie zou er door verbeteren als "wie" geschrapt wordt. "Wie" veroorzaakt meer problemen dan het oplost.

Terug naar de filosofische vraag "Wie ben ik?". Het is de vraag of wie in "Wie ben ik?" het naamwoordelijk deel van een gezegde is of een normaal vragend voornaamwoord. Als wie zich gedraagt als een vragend voornaamwoord dan wordt het "Wat ben ik?" of "Wat voor een ben ik?". "Welke ben ik?" gaat waarschijnlijk alleen op voor schizofrenen. Als wie zich gedraagt als het naamwoordelijk deel van een gezegde dan moeten we specificeren waar we naar vragen zoals "Tot welke familie behoor ik?".

Er is geen dwingende wetenschappelijke reden om de mens buiten de contekst van de wereld te plaatsen, dus zou dat in de filosofie en de taal niet anders moeten zijn.

David was verliefd, terwijl hij een vriendin had. Verwarring was zijn deel. Hij wist niets van Desiree, behalve dan dat ze weinig gemeen hadden. Desiree hield van strak en modern, hij van klassiek, zij hield van katten en hij was allergisch voor huisdieren, zij hield van uitgaan, hij van lekker op de bankhangen, zij wilde sporten om er goed uit te zien, hem maakte het niets uit, zij was lid van de VVD, de VVD!

Aan de onzekerheid werd ook de wederkerigheid nog toegevoegd. David zou haar nooit naar haar gevoelens vragen, daarvoor waren de consequenties te groot. Als hij het haar zou vragen moest hij ook de consequenties aanvaarden en hij was er allerminst van overtuigd dat hij die consequenties wilde aanvaarden.

Thuis gaf hij zijn werk de schuld van het er niet bij zijn met mijn hoofd en de vermoeidheid. En het irriteerde hem dat hij er niet over kon praten. Hij zou het heerlijk gevonden hebben om tegen iemand te kunnen vertellen wat er in hem omging. Hoe verrukkelijk het voelde om verliefd te zijn en hoe verschrikkelijk de onzekerheid was.

Zo fanastisch als het geweest zou kunnen zijn als Desiree en hij geen andere relatie hadden gehad, zo verwarrend was het nu. Hij realizeerde zich dat het heel goed mogelijk was dat Desiree dezelfde afwegingen aan het maken was. Dat ook zij zich afvroeg wat de waarde van haar huidige relatie was ten opzichte van haar gevoelens. Stiekem hoopte hij dat zij die afweging maakte, voor hetzelfde geld dacht ze er niet over na en waren er van haar kant helemaal geen gevoelens.

De meest verschrikkelijke momenten waren de ochtenden. David was altijd stipt om 9 uur binnen en Desiree kwam later. Ze ging ook altijd langer door. Maar dat moment waarop ze binnen kwam en hij haar voor het eerst zag deed altijd het meeste pijn. De klassieke beschrijving van een mes in je hart was opeens niet meer een 'bouquette reeks' gevoel, maar werkelijkheid.

David werd juist op die momenten pijnlijk herinnerd aan het feit dat hij verliefd was en dat niet wilde zijn. Zonder Desiree was er wat hem betreft geen enkele twijfel geweest over zijn huidige relatie. En nu was er opeens een vrouw met wie hij niets leek te delen en die steken in zijn hart veroorzaakte als ze binnen kwam.

Een ongepaste gedachte kwam in David op "...dat we slechts een chemische reactie zijn. Beangstigend ook dat we na onze dood niets anders zijn dan materie. Je zou bijna denken dat alles zinloos is."

Zachtjes tikte de klok op de achtergrond, een rustig monotoon ritme. David had nog zoveel willen doen, of eigenlijk moeten doen. Het hout van een uit koolwaterstoffen opgebouwde boom was verwerkt tot de behuizing van de klok, bouwjaar 1925 (geschat). Elk leven was eruit hoewel hij nog wel reageerde op vocht. Dood resoneerde de kast de klanken van het uurwerk.

De boom had zijn nut gehad. "Wat zou er van mij overblijven na mijn dood? Een grafsteen, een urn, niets. Niets is een onmogelijkheid. Ik zou per definitie reïcarneren. Er zou altijd iets van mij overblijven.", Davids raamwerk bleef niet stil staan.

De klok was van oma. De herinnering: Langzaam zakte de houten kist met oma. David kon mijn verdriet niet verdringen, er was geen weg terug meer. Spijt en herinneringen was al dat er overbleef. Uit de schoorsteen stegen futiele restjes oma op naar de hemel, de overige resten zouden zijn ouders mee naar huis krijgen.

"Zou oma ook zure regen veroorzaken?" Domme herinneringen; simpele beelden van het mortuarium, dat niets triests had.

Er is geen leven na de dood, daarom is vooroudervereering een prachtig ding. Alleen zo houden we hun "ziel" in leven. Er is een leven na de dood zo lang als men aan je denkt. Ik denk dus ik besta, zou eigenlijk anders geformuleerd moeten worden. Er is iemand die aan mij denkt, dus ik besta.

De onduidelijkheid van praten over werk, terwijl hij elke keer bedacht dat hij iets anders wilde zeggen. Elke keer die afleiding, die gedachte die zich opdringt en het gesprek verstoort. Die reis naar Parijs dat lijkt hem wat, die opwelling van zullen we gaan. Gewoon ontsnappen aan het nu en weg zijn. Het gekke is, David doe het niet. Hij blijft, en twijfelt, maar gaat niet.

Het verbaasde David dat het niet de seks was waarnaar hij bij Desiree verlange. Hij wilde haar eigenlijk alleen maar zoenen. En dicht tegen haar aankruipen. Dat zou zoldoende zijn, althans dat zei zijn gevoel. Hij was man genoeg om te weten dat het daar niet bij zou blijven.

Het zat erop. De laatste avond die David met haar zou doorbrengen wilde hij wat gaan drinken in de gelegenheid waar ze ooit menig avond hadden doorgebracht. Of beter het was bedoeld als even wat drinken, maar werd een maaltijd met koffie en de waarheid na.

De niet bedoelde insteek was het overnemen van werk, die uiteindelijk leide tot ontboezemingen over het prive leven, waar hij niet over had nagedacht. De schuldgevoelens die in haar leefden waren dieper dan hij had verwacht. Het feit dat hij als gevoelloos type werd geconfronteerd met enkele van haar diepste emoties raakte hem diep.

Maar dat zou allemaal later komen eerst was er een maaltijd en veertien glazen wijn en dwaalden ze met de wijn steeds dieper af in de krochten van hun zielen. Langzaam maar zeker kwam haar jeugd naar boven. De schuldgevoelens die ze had ten opzichte van haar ouders waar ze op 8 jarige leeftijd tegen had gezegd dat ze niet van elkaar mochten scheiden en waarvan ze dacht dat dat nogsteeds van invloed was. Dat zij de macht had gehad van die keuze. Dat ze niet voor zichzelf koos, maar de vrede wilde bewaren en daarom goed was in haar vak. Dat ouders soms meer problemen veroorzaken dan dat ze goed doen.

In relaties beweerde ze altijd de keuze te maken voor de verkeerde partner: bezet, gek of op een andere manier onbereikbaar. Probeerde ze iets duidelijk te maken? De avond eindigde met koffie en de rol van psychiater die Dacid op zich had genomen. Het herhaaldelijk vragen van 'waarom' bracht bij stukjes en beetjes meer naar boven. Een techniek die hij dat geleerd in het leven. De kinderlijke waarom-vraag is bijna altijd de sterkste vraag die je stellen kan, stellen moet. De vraag breekt de sterkste persoon en helpt je in het doorgronden van de meest onmogelijke vraagstukken. En ook zij ontkwam er niet aan. David wist niet of ze het wilde vertellen, maar langzaam kwam er een beetje naar boven.

Graag had hij meer gezien, maar de oester sloot zich snel. Sneller dan hij had verwacht. Kennelijk was het heel lang geleden dat er iemand een werkelijke poging had gedaan de oester te openen. Elke reflex was erop gericht te sluiten en de facade op te richten. Het was echter de facade die hij al kende, maar niet meer in staat te doorbreken. De avond was ten einde. De carriere was ten einde. De dag was voorbij.

David werd de volgende ochtend wakker met een verontrustende gedachte. Daarna kon hij niet meer slapen. Hij lag wakker en dacht over de regel na die hem wekte. Hij zou niet meer kunnen vertellen of het exact die regel was, of dat hij de oorspronkelijke zin had verteerd tot dit excrement.

De evolutie van de mens is het proces van het uitschakelen van de natuur.

In 2003 was David kortstondig in Zimbabwe. De witte boeren waren van hun landgoed verjaagd en de zwarten waren nog geen eigenaar. De economie liep hard hollend achteruit met een officiele inflatie van 200%, onofficieel was dat 5-, 6- of zelfs het 7-voudige.

Het was de ochtend na zijn aankomst toen hij in de badkamer van zijn hotel in liep en op de muur een grote, onbekende tor aantrof. Los van het feit dat bijna alle mensen om hem heen zwart waren en dat de planten groter, groener en vreemd waren, was dit wat hem echt deed beseffen dat hij niet thuis was.

'Het is zijn thuis, zijn plek. Hij hoort hier.', was wat er door David heen schoot, toen hij van de schrik was bekomen. Dus pakte hij een stuk toiletpapier, drukte de tor fijn en spoelde hem door. Davids angst was groter dan zijn verstand. Het was de tor zijn thuis, maar niet als David er was.

De taal is de belangrijkste barriere in het snappen van de wereld om ons heen. Hoe vaak hoor je mensen zeggen dat een beest zich aangepast heeft aan zijn omgeving. Alsof het daar actief mee bezig is geweest. De enige actieve daad die verricht is is de seks, maar verder past het zich niet aan. Het overleeft, of niet.

Wonderlijk dat er virussen zijn die weten te overleven als ze hun host al in drie dagen doden. En zo zouden we Malaria in twee weken kunnen uitroeien als we wereldwijd DDT mochten gebruiken, voor twee weken maar!

Soorten muteren en sterven uit. Elk levend organisme heeft een uniek DNA en is daarmee uniek, zelfs binnen zijn soort.

Het feit dat we soorten hebben is al zeer moeilijk. Want wanneer begint er een nieuwe soort?

Zodra een organisme sterft en het heeft zich niet heeft voortgepland sterft er de mogelijkheid op een nieuwe soort. Weet hij te overleven en zich voort te planten dan zal een deel van zijn DNA voortbestaan in zijn nakomelingen en is er een nieuwe unieke tak. Wat een grandioos proces. Langzame verandering door elke keer een nieuwe DNA combinatie te vormen.

Dit proces lijkt alleen goed te gaan als er voldoende menging is van verschillende soorten DNA. Bij kleine leefgemeenschappen waar veel inteelt is treed er al snel degeneratie op. Een tekort mengen van verschillende genen. David zou willen pleiten voor zoveel mogelijk gemengde huwlijken met mensen van verschillende rassen. Kom op, mengen met die DNA strengen!

David had daar nog wel een kleine kanttekening bij te maken. Want hij bleef zich verbazen over dat we allemaal accepteren dat we genetisch gezien langzaam achteruit gaan. Als menselijke soort, dat niet meer wordt voldaan aan darwinistische principes.

David was zich ervan bewust dat de menselijke soort langzaam aan het ontsnappen was aan de natuurlijke selectie en de mens zijn eigen selectie criteria aan het creëeren was.

De zwakken worden via medische ingrepen in leven gehouden, en dan gaat het voornamelijk om jongeren, niet om ouderen. Na de reproductie is er geen enkele reden om iemand niet in leven te houden, maar daarvoor zouden er duidelijke grenzen moeten zetten. Hoe de mens als soort accepteren dat pas geboren kinderen met een afwijking inleven gehouden worden en zich kunnen reproduceren. Hiermee worden genen doorgegeven naar latere generaties. Zwakke genen, en dat kan goed komen, maar het is een gok.

We zien steeds vaker mensen met allergiëen, David kon natuurlijk niet bewijzen dat het komt door de de coufeuse kinderen, maar het zou hem niet verbazen.

Het leek een mooie dag te worden. Kleine witte wolkjes en veel blauw, waaronder de gele trein verder ging. David had mooie gedachten toen hij naar het station liep, maar de conversatie schuin tegen over hem stoorde zijn gedachten. De eerste wereld oorlog, een carousel van directie leden en belastingdienst verhalen, het was storend, heel storend. En toen de conducteurs.

Het was lente dus alle beesten waren weer van stal. Zelfs het gras was al gemaaid op sommige stukken. Eindelijk viel het gesprek stil. Eén stoorzender verdwaalde weer in zijn De Eerste Wereld Oorlog boek en de ander had de Volkskrant ter hand genomen. Er daalde een heerlijk rust neer in de coupe. Er was alleen nog het ruisen van het razen langs de wereld.

Nog een dag en dan zou het weekend zijn. David zijn hersenen kwamen in de stilte langzaam stil te staan. Volgens de NS was het Utrecht, Voorburg, Den Haag. De rest van de wereld bestond niet, althans niet voor deze trein. Terwijl er toch hele mooi stukken waren met pitoreske torentjes en de weilanden met een strakke choreografie van electriciteitsmasten.

Elke filosofische redenering van de afgelopen paar jaar leek bij David uit te komen op het feit dat 'het leven zinloos is'. We zijn niets anders dan chemische reacties, ooit ontstaan bij toeval (of omdat de omstandigheden juist waren) en we gaan dood. Daar is niemand voor verantwoordelijk, er is geen leven na de dood en het heeft geen zin gehad.

Dit leidt tot een negatief beeld van het leven. Waarom zouden mensen met elkaar samen willen leven als het leven geen zin heeft? Waarom zou ik me aan wetten houden die lastig voor me zijn? Wat is de hoop als het leven zinloos is?

Kortom wat maakt het leven waard leven als het enige doel doodgaan is?

Waarom niet dood gaan? Doorgaan is voor de meeste mensen het idee. Ze willen verder. Uiteindelijk hopen we allemaal op weer een mooie dag, of een mooiere dag. En ik bedoel niet alleen weer technisch, ik bedoel in de gehele beleving.

De molekulen, die geen vaste grenzen hebben maar een fictieve electronenwolk als grens, vloeien over van hun kern naar een ruimtelijke bezetting die niet zeker is. Complexere structuren vormen een nog grotere onzekerheid over de plaats van deeltjes. Toch baken ik ze af, met mijn ogen tast ik naar vaste vormen om de wereld te kunnen begrijpen. Ik wil de zee en het land niet met elkaar zien vervloeien, ik schep een kust.

Ik krijg zin om een boedhistische vertelling te houden waarin we wegglijden. Dat we allemaal één zijn, jij en ik, de natuur en de steen. Dat er geen wezenlijke grens is tussen het ik en de steen. Dat reïncarnatie niets anders is dan het vergaan van vlees tot voeding en weer tot leven komen. Dat verlichting niets anders is dan het snappen van alles wat ik hier schrijf.

Hindoeistische vertellingen gaan uit van een Nirvana en elk geloof doet dat: het kiezen voor een hemel, een worst voor houden. De essentie van een geloof is de angst voor de dood weg nemen. De zekerheid wordt vervangen door onzekerheid, maar de mogelijkheid van het geen men gelooft verdrukt de rationele afweging. Angst maakt dat men rare dingen doet.

Ik vraag we weleens af wat we zouden doen als we zeker weten dat het leven geen doel heeft, door een schitterend ongeluk ontstaan is, en alleen lijdt tot de dood. Deze werkelijkheid is bijzonder helder, eigenlijk onontkoombaar.

Vanochtend waren de treinen overvol. Staand volbracht ik de reis naar Den Haag, maar dat was niet wat me het meeste irriteerde. Ik had de Spits meegenomen en daarin stonden reacties op een stuk dat volgens de Bijbel de wereld 'slechts' 6000 jaar oud kon zijn. In een van die reacties stond de verklaring voor het wetenschappelijke en Bijbelse verschil: 'God had deze wereld geschapen met een geschiedenis'. Een pracht vinding natuurlijk en onmogelijk te weerleggen. Dat was wat me irriteerde.

God had de wereld geschapen met de fosielen die we nu vinden. Ik neem aan dat God ook de achtergrondstraling bedacht heeft om ons op het verkeerde spoor van de 'Big Bang' te zetten.

De bedenker van de ziel is erger dan degene die de mens heeft losgemaakt van de rest van de wereld. Door de mens te voorzien van een ziel wordt een god bijna noodzakelijk, of op zijn minst een hemel, of de mogelijkheid van reincarnatie.

Als de mens de beschikking heeft over een ziel moet er iets zijn dat die geest bestuurd, een god of het ik dat naar de persoon kan kijken. Een geloof of het Cartesiaanse theater, of liever nog alle twee. Zodat we niet alleen door een god of goden bekeken worden maar ook nog door onszelf.

Er is niets dat de ziel rechtvaardigd. Zij moet dood en wel zo snel mogelijk. Maar wacht, als we de ziel vertrappen, wie is dan ik, maar ik moet natuurlijk zeggen wat is dan ik?