Een reis op blote voeten



Als woorden zijn als een rots
Dan, en alleen dan, ben ik de beeldhouwer.

David.


Op blote voeten reisde ik, dat had ik besloten toen ik weg ging. Het was een mooie dag en ik had besloten dat ik er even uit moest. Dat was beter voor me.
Nu ben ik onderweg. Het weer is nog steeds mooi. De zonnestralen kaatsen op het groen dat de grijze rots bedekt. Het is groen licht dat stralend schijnt en de donkere dagen doet vergeten.
Koud voelen de stenen aan, aan mijn voeten. Voeten die alleen warm beschermend schoeisel gewend zijn. Voeten die niet meer het gevoel en de vorm van de natuur kennen, zoals de meeste mensen de natuur niet meer kennen.
Ze kennen de natuur alleen nog van de televisie en dat is van ver.
Ik ruik de geur van de lente ontwakend in de bloemen van het gras, de frisse geur van de beek met de zojuist gesmolten sneeuw.
Het maagdelijk wit verandert in hemelsblauw dat kleurt de aarde groen en toont zijn volle kleuren pracht door het ontluiken der bloemen en het kleuren der bessen.

Ik zag de bessen
Rood gekleurd door zonneschijn
Zacht in maneschijn

Het hout knappert vrolijk voor mijn slaapplaats. Mijn slaapplaats bestaat uit zacht, warm gras en een slaapzak, omdat het weer mooi is en de temperatuur hoog. Ondanks de vele sterren aan de hemel.

Ik volg het pad dat tussen de struiken is ontstaan. Slingerend vervolg ik, stap voor stap, mijn weg.
Konijnen rennen langs mijn voeten. Eekhoorns klimmen verschrikt in de bomen en vele vogelsoorten vliegen op als ik langs loop. Ik verstoor de rust.
Rustig wandel ik verder. Ik bekijk de opgevlogen vogels en herken sommige. Ik zie valkjes, kraaien en vele onbekenden.
Het pad, dat langzaam verdwijnt omdat de bomen verdwijnen, blijf ik volgen. Ik loop over gras en zigzag tussen de struiken door. Ik proef hun vruchten en bekijk hun bloemen.

Het dal schijnt diep onder me; uitgestrektheid beperkt door afstand. Een vaste vorm in kleur dat zijn geuren de lucht in gooit. Oppervlakkig en egaal, van hoog.
Boven me rest een grijze top gehuld in wolken. Eindeloze koude wolken. Als dromen drijven ze voorbij en prikkelen de fantasie.
Ik zet mij op het gras en rust met mijn rug tegen de kale rots. Het mooie weer biedt me een perfect uitzicht. Ik zie de andere bergen met (natuurlijk?) hun dalen, bloeiende dalen en naar de top steeds kaler.
De meeste toppen zijn door de bewolking aan het zichtsveld onttrokken. De toppen die wel zichtbaar zijn, zijn ronde, afgestompte toppen. Gesleten onder de lange inwerking van de natuurlijke elementen. Toppen gespleten door ijs en wortels, verkruimelt door botsen, tot stof vergaan door schuren en het stof is weggewaaid, verdwenen, verspreid over het eindeloze dal. Eindeloos als je beneden staat.

Ik lig halverwege mijn berg in het zonnetje. Ik kijk rond en zie de bergen om mij heen.
Ik verdoe mijn tijd. Zo kom ik nooit aan de top. Hoe mooi het ook is, ik moet verder.

Ik beklim de steile wand. Mijn blote voeten hebben weinig houvast en ook mijn vingers hebben de grootste moeite om mijn lichaam het vallen te beletten.
Af en toe glijden handen of voeten over de gladde stenen en bungel ik even tussen nu en eeuwigheid.

Ik ben bovenop een plateau, een rotsplateau dat begroeid is met groene grassen en met wat kale struiken.
Ik leg mijn rugzak af en zet mij op het zachte gras. Mijn voeten doen zeer. Ik trek mijn benen op in lotushouding en bekijk mijn voetzolen. Ze zitten vol schrammen en sneden. De klimpartij heeft ze geen goed gedaan. Mijn linkervoet bloed. Een diepe snee onder de tenen gaapt open.
Ik blijf hier overnachten.

Het gras verdwijnt langzaam en transformeert in mos. Mijn voeten voelen het verschil. Ze beginnen de natuur te kennen.
Het mos is zachter, maar stugger. Het mos verhoudt zich tot het gras als zijde tot wol, alleen de glans ontbreekt.
Het struikgewas is verdwenen. Het wordt steeds kaler, ook in de lucht.
Kleine vogels zie je helemaal niet meer, wat overblijft is een enkele buizerd of sperwer, veel meer niet. De lucht is leeg, de aarde vol.
Het mos biedt schuilplaats aan vele kleine dieren die ik niet ken, behalve de duizendpoten, pissebedden en spinnen.
Ook leven hier vlijtige mieren, rode, die hier groter zijn dan thuis. Ik kom ze regelmatig in grote getale tegen; hard werkend nu de winter weer ten einde is.
Ze hebben geen interesse voor mij.
Voor mij hebben ze geen interesse.

Het is koud hier boven. Het is koud en verlaten. De sneeuw is er niet meer, maar 's nachts voelt het grijze, kale gesteente nog aan als ijs.
Ik kijk over de wereld, tot de horizon. De top heeft de horizon verlegd.
Ik zie de andere bergen glinsteren in de morgenzon. Het is tien uur. De pieken steken uit de aarde, sommige glooiend, andere scherp; eenzaam in de koude lucht. Tekenen van innerlijke kracht. De aarde schept.
In weer en wind geslepen en gesleten toppen. Door het samenspel van wind en regen langzaam gesloopt tot gruis.
Het groene dal ligt ver onder me. Een groot, groen veld. Van alle kleuren die ik beneden zag zie ik alleen nog het groen. De verscheidenheid is verdwenen. Het is groen, zacht groen in de stralen van de middagzon.
Langzaam kleurt de hemel. De hele dag zit ik nu op deze top en geniet van de ijle hoogte, maar de hemel kleurt. De hemel kleurt van helder, hemelsblauw naar paars en zwart, terwijl mistsluiers mij het zicht benemen en ze de avondzon een mystieke waas geven.
's Nachts is het ijskoud. Ik besluit om morgen af te dalen naar het dal.
Het dal waar het nooit ijskoud is. Het dal waar de bloemen groeien en waar ze het groen kleur geven.
Ik rol me in mijn slaapzak, wrijf mijn voeten met mijn handen warm en val pas laat in slaap in de ijle, ijzige kou van de top.