Gesticht
Een
vertelling
Gesticht, een vertelling, is geschreven door
een vogel. Een vogel opgesloten in een kooi van ijzer tralie werk.
Proloog
Het
gedulig papier wacht op mijn woorden
Krassend
gaat mijn pen
Woord voor woord en regel
Voor regel op het papier
Geduldig
wacht het tot dat ik
Hem neer leg mijn pen en ben
Verweven
met
De woorden die ik schreef.
Hfd.
1
Dagen
lang zwoeg ik voort
Niemand die mij stoort
Velen gaan voorbij
MenigŽŽn
kijkt naar mij
Allen hebben ŽŽn gedachte
Ook hij die even wachte
Toch
liep ook hij weer voort
Niemand die mij stoort
Het ijzeren bed
stond tegen de muur. Lang geleden heeft iemand het wit geschilderd, nu kun je het
kale staal weer zien. Het is koud.
Op het bed ligt een matras, een wit laken,
een bruine deken en een kussen
met wit overtrek.
De kamer is kaal en leeg, net als ik. Ik ben gekleed
in een spijkerbroek en een T-shirt. Het is rood. Dat brengt kleur in de kamer,
in de witte kamer met het zandkleurige koude zeil. De kamer is koud en kil, net
als ik.
Een bos met bloemen
Ik hoor jou stem
Een bos rode rozen
Tussen
vier muren klem
Een witte muur
Leeg, zonder kleur
Maagdelijk
wit, zo leeg
Als de momenten, dat jij zweeg
Ik word hier nog eens gek.
Jij
bent al jaren niet meer
bij ons. Je hield zo van rozen. Je hield ook van mijn gedichten en mijn verhalen.
Het was een mooie tijd.
Je was de enige die mij geloofde. Je had vertrouwen
in me. Ik ben niet gek.
Een oog spiedt door het gat in de deur. Een
sleutel klikt in het slot en de deur zwaait open. De zuster, gekleed in wit, komt
binnen met eten.
"Mag ik wat vragen?", probeer ik.
"Natuurlijk,
ga je gang."
"Ik zeg u dat ik niet gek ben. Daarop zegt
u dat alle gekken dat zeggen. Ik
zeg dat ik gek ben en u zegt dat dat waar is. Hoe kan ik nu aantonen dat ik niet
gek ben?"
"Dat kun je niet.", ze zette het eten op tafel
en ging weg.
Zou iemand die niet gek is zich afvragen of hij gek is? Ben ik
gek omdat ik mij afvraag of ik gek ben?
Hfd. 2
De
zomer liep op zijn eind. Sluiers hingen over het verdroogde land. Er heerste
rust.
Kalm zat ik achter mijn buro uit het raam te staren. Het dakraam
stond open en de koele lucht dreef
het warme, benauwde kamertje binnen.
De straat was verlaten, alles was
eigenlijk verlaten. Ik leek alleen op de wereld. Zo voelde ik me ook.
Ik trok
mezelf uit de leegte weg en bekeek het papier voor me. Het was leeg. De pen,
die ik ondertussen had neergelegd, wilde het papier niet beroeren. Het vel was
net zo blank als mijn gedachten.
Ik had kunnen schrijven hoe leeg ik me voel,
maar dan was dit witte vel papier beter en toepasselijker.
Ik had kunnen schrijven
hoeveel ik je mis, maar
wat schiet ik daar mee op. Het papier zou zich vullen met gezwijmel, liefdesverklaringen
en zweverige onzin zonder enig doel.
Ik zou kunnen schrijven waarom,
maar waarom?
Toch mis ik je, al weet ik niet waarom. Ik ken je nauwelijks.
Misschien mis ik alleen je lichaam, misschien mis ik de aandacht, het idee
dat er iemand is die om me geeft, dat ik niet alleen ben.
Ik mis je lichaam
zeker; wat was dat mooi. Je halflang bruine haar in sierlijke krullen, sterk
contrasterend met je hel blauwe
ogen die de wereld in straalden als ..., als niets eigenlijk.
Ze waren diep,
hel en leeg. Zo leeg dat de eerste keer dat ik je zag ik er totaal in verdween.
Ik zwom en zwom, maar verlaten kon ik ze niet, nu nog niet.
Je ogen waren
zo blauw als de zee, alleen de zee kan niet zo stralen en je ogen straalden
als het licht van een schijnwerper.
Het licht hield ons wakker. Wij sliepen
niet. Na de rumoerige avonden in de discotheek genoten wij van de serene rust op
de camping.
Nog ruik ik de
geur van je parfum, van je haar en van je lichaam. Ik blijf ze ruiken.
Het
was een mooie vakantie, die veel te vlug eindigde, maar vergeten zal ik je niet,
wil ik niet omdat ik weet dat het voorbij is.
Het was zo kort dat ik je kende
en meteen was het voor eeuwig. Alleen door die lichten, die fatale lichten.
Het
begon op een zaterdag. Het was vakantie en je danste in een discotheek.
Ik kwam er vaker en had je er nog niet eerder gezien. Door dat dansen was
je me opgevallen. Je bewegingen
waren soepel, natuurlijk, alsof je elk nummer kende.
Je kwam voor me staan
en meteen verdween ik in je hel blauwe ogen. Als vanzelf bleef ik dansen, daar
ook jij niet stopte. Het leek een wedstrijd die niemand won.
Te snel was het
sluitingstijd. De lichten gingen aan en de muziek stopte. Ik nodigde je uit om
met mij wat te gaan drinken in de bar aan de overkant. Je ging mee, we hadden
nog een kwartier. Daarna bracht ik je terug naar de camping. Je vroeg of ik bleef
en we vree‘n.
De volgende
dag gingen we naar het strand om te zonnen en te zwemmen, te kussen en te flirten.
Ôs
Avonds zweefden en dansten we in de discotheek en genoten we met volle
teugen van de vakantie, de vrijheid en elkaar. Twee dagen lang was het leven
ŽŽn groot feest zonder scheiding van dag en nacht. Het was ŽŽn geheel.
De
maandagavond bracht ik je naar de camping. We waren uitgelaten. We renden over
straat, dansten als vlinders om elkaar, lagen stevig verstrengeld in elkaars
armen langs de kant van de weg
en liepen dromend over het trottoir.
Je maakte je los uit mijn armen en rende
weg. De ondeugd blikte in je ogen en het trok me naar je toe. We speelden
kat en muis in de leegte van de straat en steeds vluchtte je voor mij weg in vrolijke
huppelpassen.
Weg, fietspad en trottoir waren ŽŽn tot het bellen van
een fietser een grens trok tussen ons. Ik sprong op de stoep, jij op de weg.
Twee
helle lichten beschenen je. Ik riep. Je stond midden in de leegte van de
schijnwerpers. Je zweefde, je vloog
en viel en verdween in de leegte beschenen door hard rode lichten, achterlichten.
Meteen
was je verdwenen, voor eeuwig, voor goed in het niets.
En
nu staar ik uit het zolderraam en zie de kale, droge velden in de mistsluiers
met een leeg vel papier omdat ik geen woorden weet.
Hfd. 3
Als
muren waren van papier
En niet van beton of steen
Dan
was ik nu niet hier
Dan was ik niet alleen
De dagen zijn lang alleen.
Mijn ouders zijn al dood en mijn
broer en zus zitten beide in het buitenland. Mijn vrouw is overleden. Ze pleegde
zelfmoord omdat ze het niet meer zag zitten zonder mij. Ik was niet gek.
Dat vond zij ook. Ze sloten me op. Ik was gek.
Dagelijks kwam ze langs met bloemen.
Rode rozen, daar hield ze van.
Ze mocht me niet meer bezoeken. Ik had
een verpleger in elkaar geslagen omdat hij mij pen en papier ontnam. Ik was gek
en gevaarlijk. Ik schreef als een gek. Ik werd ge•soleerd. Niemand mocht me
meer bezoeken. Mijn vrouw werd
gek, maar dat zagen ze niet. Ze sprong naar de vrijheid. Het was zes meter hoog,
te hoog.
Voor dit boek heb ik weer pen en papier gekregen. Ik ben gek. Ik
ben niet gek genoeg. Ik kan schrijven, schrijven dat ik gek ben. Niemand zal mij
lezen, want ik ben gek en wie leest er nu iets van een gek. Ik maal.
Waarom
ben ik gek?
Ik was verliefd. Ik wist het zelf niet. Het was mijn eerste
liefde en ik had het zelf niet in de gaten. Een vriend van mij attendeerde me
erop en ik ontkende het, zoals
de meeste eerste liefdes ontkent of geheim gehouden worden. Twee weken later had
diezelfde vriend verkering met haar.
Mijn hart deed zeer. Mijn gedachten
waren warrig. Ik was verliefd en gek.
Ik heb haar nooit meer gezien. Hem ook
niet. Het werd stil.
Stilte is als duisternis
Een
egaal blauwe hemel
Op een wolkeloze dag
Stilte is als pijn
In
een roes lachend
In afwachting van de nieuwe dag
Stilte is als de
dood
Een moment van geluk
Op
een feestdag
Ik open een raam. De bomen zijn in bloei; de zon schijnt.
De zomer nadert. De warme zomer. Een zomer als vorig jaar.
De deur werd
geopend.
"Het is warm hier. Mag er een raam open?", vroeg ik de
zuster die binnen kwam.
"Ja natuurlijk.", ze liep naar het raam
en opende dit.
"Denkt u dat ik gek ben?", vroeg ik haar.
"Ja.",
ze was eerlijk.
Ik strekte mijn armen, bewoog ze twee keer op en
neer als waren het vleugels, rende
naar het raam en sprong er uit.
"Ik ben niet gek! Ik probeer niet te
vliegen! Ik wil dood!", dat riep ik. Daarna weet ik niets meer. Ik werd
wakker in het ziekenhuis. Ik had de val overleefd, alleen had ik mijn benen gebroken
en een lichte hersenschudding, maar wat geeft dat als je al gek bent.
Na
drie weken mocht ik terug naar de inrichting. Ik moest op bed blijven voor mijn
benen. Die waren niet gek, alleen gebroken. Ik was gek, maar niet gebroken.
Dat
was vorig jaar. Ik
ben niet gek, ik ben gebroken.
De lente is gekomen. Ik ben gek en ik kan
vliegen. Er zitten tralies voor het raam. Ik ben een vogel in een kooi.
Het
scheermes snijdt in de vleugels. De gele vleugels kleuren rood terwijl de mooiste
beelden voorbij schieten. Ik kijk neer op mijn leven en vlieg er over heen.
Het is mooi. Het is wit.
De beelden vervagen. De vleugels vervagen. Het wordt
donker en ik val.
Ik ben geen vogel. Ik ben niet gek.
Epiloog
Donker
is de kamer als ik wakker wordt. Ik stap uit bed en schuif de gordijnen open.
De volle maan straalt zijn licht naar binnen. In samenwerking met de sterren verlicht
hij mijn kamer.
Duidelijk is het metalen bed te zien, daarnaast het houten
nachtkastje en de metalen kast met schuifdeuren, waarin zich enkele kledingstukken
bevinden. In het midden van de kamer op een groot, rond kleed staat een
rond, houten tafeltje met bloemen, rozen, rode rozen.
Mijn lange schaduw
valt over het tafeltje met rozen
en dus doe ik een pas opzij. De rozen glanzen in het licht en stralen rood, een
gezellig rood.
Het rood maakt zich los van de bloemen en begint te dansen
door de kamer. In steeds wildere vormen beweegt het zich voort. De kleur rood
veranderd en wordt feller; het lijkt een achterlicht, een autoachterlicht.
Ik
voel de kou en ik zie het gezicht in het schijnsel van het rode licht. Het is
hard rood, rood zonder emotie. Ik wil het beeld vasthouden, maar het vervaagt.
De lichten doven en de rozen staan
weer op tafel, in het schijnsel van de maan.