Het
Ideaal
(Een fabel)
Er
was eens heel, heel lang geleden in een warm land een kolibrie.
Deze kolibrie vloog elke dag van bloem tot bloem en dronk uit de kelken der bloemen
het nectar.
Toen de kolibrie jong was vond hij dit heel gewoon en deed
hij elke keer weer mee met de andere soortgenoten en hij genoot van de nectar,
maar naarmate hij ouder werd begon hij meer en meer over zijn dagbesteding na
te denken en hij kwam tot de conclusie
dat hij meer kon doen met zijn dag. Hij ontdekte zelfs dat hij meer van
het leven kon maken.
Hij sprak over zijn idee‘n met de andere vogels, maar
deze verklaarden hem voor gek en toch zette hij door.
Dagen achterˇˇn at onze
kolibrie niet, niet omdat hij wilde afvallen, maar omdat hij geen echte honger
had. Hij had zich geleerd zuinig met zijn brandstof om te gaan, omdat hij wist
dat het beperkt was en omdat energie die verbruikt wordt vraagt om nieuwe energie
en zoeken en consumeren van
energie kost ook weer energie en dus door weinig te verbruiken had hij ook weinig
nodig en omdat hij weinig nodig had hoefde hij ook niet veel te zoeken.
Het
grote probleem dat echter elke keer weer voor onze kolibrie rees, was hoe
zuinig om te gaan met zijn energie.
Als eerste had hij geleerd zijn ademhaling
te leren beheersen, want wie rustig, maar diep, ademt verbruikt minder energie
dan hij die kort en haastig ademhaalt en tevens brengt rustig ademhalen rust
en rust vergt minder energie.
Daarnaast
was het voor hem heel belangrijk om zijn energie zo nuttig mogelijk
te gebruiken, dus alleen dat doen wat nodig is en niet meer, maar wel volledig.
Dit,
dit alles, oefende onze kolibrie tot hij het tot in de finesses beheerste
en hij was gelukkig. Hij was totaal. Hij was ideaal.
Uren vloog onze kolibrie
als een adelaar; zwevend op de termiek. Hoog vloog hij boven de anderen
uit zonder op hen neer te kijken. Hij keek voor zich uit.
De andere kolibrieÕs
keken naar hem op en zagen
zijn hoogte. Sommigen wilden hem volgen, maar de meesten niet. Ze zagen tegen hem
op en besloten dat hij niet meer ˇˇn van hen was. Hij hoorde niet meer bij hen.
Hij was geen kolibrie meer.
Toen onze kolibrie dit hoorde kwam hij omlaag
en was treurig. Een aantal kolibrieÕs geloofden echter in zijn streven en probeerden
zijn kunnen te evenaren. Door dit te zien ging hij ook weer in zichzelf
geloven en steeg hij weer tot grote hoogten, want ˇˇnmaal geleerd, is nooit meer
verleerd.
Maar elke keer
als hij naar beneden kwam om zijn volgelingen te leren of om het weinige eten te
nuttigen dat hij nodig had werd hij beschimpt door hen die vonden dat hij te
hoog vloog.
Het beschimpen werd schelden en het schelden werd pikken en slaan
met de vleugeltippen. Ook de volgelingen moesten eraan geloven.
Toen men inzag
dat dit niet tot het gewenste resultaat leidde werd de Algehele Verdagering
der KolibrieÕs bij elkaar geroepen. Men zou beslissen over hem die hoog vloog.
De
statuten werden geraadpleegd,
maar nergens stond iets over de vlieghoogte, maar het publiek joelde: ŌHij
vliegt te hoogÕ.
De havik werd uitgezonden, de kolibrie moest lager vliegen.
De
scherpe havikÕs blik speurde de hemel af en al snel hadden zijn ogen
de kolibrie gezien. Rustig wachtte hij zijn kans af en toen hij deze zag schoot
hij op zijn prooi af, greep hem in zijn nek en bracht hem naar de grond. Daar
bleef de kolibrie roerloos liggen.
Nooit meer zou zijn lichaam zich verplaatsen,
maar zijn geest steeg. Zijn
geest steeg tot grote hoogte. Hij steeg zelfs hoger dan zijn lichaam ooit had
gevlogen.
Moraal:
Wij vliegen pas op ons hoogst als onze geest los is
van ons lichaam en dan nog alleen als wij een havik hebben ontmoet.