Hee, kijk mam, een wereld. En mensen, een wereld vol mensen. Waarom zijn die daar en zijn ze er altijd geweest? En die jongen, was die er ook al? En hoe lang?
En daar, mam, zie je die fietser? Krom gebogen tegen de wind. En de polderweg die in het niets eindigd. Of samengaat met de lucht. De zon die opkomt en die mensen.
Mam, wat zijn er veel mensen. Wat doen al die mensen? En die meneer? Die man daar die in het plantsoen staat. Die man leunend op zijn hark.
En kijk mam, een meisje, net als ik, ze staart. Kijk haar ogen, groot en rond, ze neemt de hele wereld in zich op. Ze kijkt naar mij. Zal ik zwaaien, mam? Mam, of alleen maar lachen? Of..., laat maar mam. Ze kijkt naar de boom, die hoge, die de wind vangt.
Mam, mag ik spelen? Mag ik in deze wereld spelen? Dat zou fijn zijn als ik met die mensen spelen mocht. En mam, als zij met mij spelen willen, dan zouden we verstoppertje kunnen doen, of tikkie, of met de poppen. Dan kan ik met al die mensen met de poppen spelen. Zouden er dan wel genoeg poppen zijn, mam? Zijn er evenveel poppen als mensen mam?
En als we uitgespeeld zijn mam, mag die jongen dan blijven eten mam? Mag hij blijven eten en misschien ook slapen mam?
Kijk mam, dat ben ik, mam. Daar in die spiegel mam, dat ben ik. Zie je, als ik lach dan ben ik dat en als ik huil, mam, dan ben ik dat ook.
Zie je ook het grasland? Het groene grasland dat aansluit op de blauwe hemel, mam. Die lange leegte, mam, de wereld is zo groot.