Spiegel van het Verleden


Stormachtig was het weer toen Ned over het strand liep. Diep weggedoken in de kraag van zijn jas speurde hij het strand af. Altijd als het gestormt had trok Ned erop uit om te kijken of er iets van waarde was aangespoeld.
Ned was deze morgen vroeg opgestaan, want het had Ôs nachts stevig gestormd. Het was windkracht negen geweest uit het noord-westen en dat betekende dat er altijd veel aanspoelde.
Het water was nog nauwelijks gezakt toen Ned al, warm aangekleed, over het strand slenterde, want als het hard waait zijn er vele jutters en dan moet je er vroeg bij zijn.
Het was nog stil aan het strand en rustig liep Ned voort, ondertussen af en toe wat weg trappend uit verveling, want veel had de storm niet gebracht. Er was alleen veel afval aangespoeld. Het strand was bezaaid met lampen, flessen plastic en stukken hout die alleen nog goed voor de openhaard waren.
Ned liep echter voort, minder enthousiast, maar hij wist dat geluk in een klein hoekje schuil ging.
En zo ook nu; in de eerste zonnestralen van een waterig zonnetje schitterde er iets wits in een fles. Het jutters hart begon sneller te kloppen toen het wits een briefje bleek te zijn. Nieuwsgierig, en met veel moeite, frommelde Ned het briefje uit de fles. Hij streek het glad en las het bericht dat in een gekrabbeld handschrift op het briefje geschreven stond.

Beste vinder,

Ik een van de laatst overgebleven schat bewaarders van de zee.
Er is iets verschrikkelijks gebeurd. De schat is gestolen en nu zoek ik iemand die mij helpen kan bij het zoeken.
Als je bereid bent mij te helpen, wrijf dan over deze fles en volg de instructieÕs die je worden gegeven op.


Bijvoorbaad dank,

Slein.

Met stijgende verbazing had Ned de brief gelezen en eigenlijk geloofde hij niet wat hij las, maar het idee het niet geprobeerd te hebben dwong hem ertoe toch over de fles te wrijven.
Hij wreef de groene fles tegen zijn jas en in de fles begon een licht te schijnen. Langzaam vormde zich een wolk uit de hals van de fles en een enorme wind blies een gat in de zee. Uit het gat klonk een stem: ÒKom en help, kom en help.Ó
Voorzichtig liep Ned naar de opening en keek naar binnen. Het leek wel een tunnel. De nieuwsgierigheid won het van de angst en Ned liep de tunnel in.
Toen Ned binnen was verdween de wolk en de zee sloot zich weer. Het was aarde donker, maar er kwam langzaam licht; steeds duidelijker kon Ned de omgeving zien.
Voor hem stond een groot, harig beest.
Het beest was drie keer zo groot als Ned. In de bolle kop met bere-oren zaten twee bruine ogen.
Met een droeve blik keken deze ogen op hem neer.
ÒWie ben jij?Ó, vroeg Ned.
ÒIk ben Nibor?Ó, sprak een zware stem.
ÒWaarom kijk je zo treurig?Ó
In een troosteloos gebaar trok Nibor zijn enorme schouders op en liet ze weer zakken waardoor zijn wit behaarde armen met grote handen heen en weer bungelden. Onderwijl werd de uitdrukking op zijn gezicht zomogelijk nog triester dan hij al was.
ÒWeet je het niet? Heb je je bezeerd?Ó, vroeg Ned toen hij de grote treurige ogen zag.
De harige kop schudde ÔneeÕ.
ÒHeb je dan iets verloren?Ó
Weer trok Nibor zijn schouders op.
ÒZal ik je helpen zoeken?Ó
Een glinstering kwam in Nibor zijn ogen en de dikke lippen krulden zich tot een glimlach.
ÒWat ben je verloren?Ó
Nibor wist het niet, maar dat gaf niet. Ze zouden samen zoeken. Nibor was blij en vrolijk stapte hij voort. Het was verwonderlijk zo weinig geluid als Nibor tijdens het lopen maakte, maar dat kwam natuurlijk door de zachte kussentjes onder zijn voeten.
Nibor had nogmaar een paar passen gedaan toen hij achter zich het hijgende stemmetje van Ned hoorde.
ÒNibor, rustig aan. Ik hou dat tempo van jouw niet bij.Ó
Nibor keek om en zag de kleine Ned rennen om hem bij te houden.
ÒWacht, ik zal je dragen.Ó
Voorzichtig pakte Nibor de jongen op en nam hem als een baby in zijn armen. De jongen rustte met zijn rug tegen NiborÕs borst, terwijl hij op zijn arm zat, heerlijk warm tussen de haren. En zo vervolgden zij hun weg.

ÒHoe heet jij eigenlijk?Ó, vroeg Nibor.
ÒMijn naam is Ned en ik ben op zoek naar Slein. Ken je hem?Ó
Nibor kende hem niet, maar schudde wel Ned zijn hand als teken van begroeting. Ned had het gevoel alsof zijn arm uit de kom werd gerukt, maar Nibor was zich van geen kwaad bewust.
Vrolijk stapte het enorme gevaarte door het ruige landschap. Hij gedroeg zich als een kind op een zomerse dag met een zojuist gekregen ijsje.
Het landschap, waar Nibor zo vrolijk doorheen stapte, was wonderlijk. Overal lagen licht blauwe stenen, die op sommige plaatsen begroeid waren met groene, op zeewier gelijkende planten.
Alleen van zeewier verwachtje dat als het op het droge licht dat het er slap en dood uitziet, maar dat was nu juist niet het geval. Het stond sierlijk overeind en het bewoog heel licht heen en weer.
Verder was het landschap enorm kaal.
Aan de horizon ging het licht blauwe gesteente over in het nog lichtere, bijna wit, blauw van de lucht. Er was geen zon te zien.
Plotseling stond Nibor stil. Hij stak zijn neus in de lucht en snoof enkele malen kort, alsof hij iets rook. Hij draaide zijn hoofd naar rechts en toen draaide zijn gehele kolosale lichaam negentig graden, zodat zijn hoofd weer recht op zijn schouders stond en hij gebon te rennen. Ned moest zich stevig aan Nibor zijn haren vasthouden om niet als een vervelend vliegje weggeslingerd te worden.
Met gesloten ogen drukte Ned zich tegen Nibor aan en hij was blij toen eindelijk alle rust was weergekeerd. Nibor stond stil en Ned opende voorzichtig zijn ogen.
Voor Ned bevond zich nog zoÕn harig beest, met op zijn arm een menselijk persoon.
ÒWie is dat?Ó, fluisterde Ned.
ÒDat is Ardnas. Naar haar was ik opzoek.Ó
ÒMaar hoe kwam het dan dat je niet wist waarnaar je opzoek was?Ó
ÒIk wist dat ik iets zoch, omdat het mij riep, maar ik wist niet wat.Ó, antwoorde Nibor.
ÒZe communiceren telepatisch.Ó, het was het mannetje op de arm van Ardnas dat deze toelichting gaf, ÒIk ben Slein en als ik het goed heb, ben jij naar mij opzoek. Wat is je naam?Ó
Het mannetje was een klein raar ventje. Hij droeg de kleding van een mexicaan en hij had een donkere baard. Zijn ogen gingen bijna geheel schuil in de schaduw van zijn grote sombrero.
ÒIk ben Ned.Ó, was het enige dat Ned kon uitbrengen, zo overdonderd was hij.
ÒMooi, volg mij.Ó
Ardnas draaide zich om en begon over de kale vlakten te lopen. Nibor ging naast haar lopen.
ÒWaar gaan we heen?Ó, vroeg Ned aan Slein.
ÒWe gaan naar Nomar. Hij heeft waarschijnlijk meer informatie.Ó
ÒWaar zoeken we dan naar?Ó
ÒDat is een lang verhaal, maar ik zal het je onderweg vertellen.
Mijn vader was een trol en hij had allerlei idee‘n over hoe het beter zou kunnen, met de trollen.
Maar hij maakte ŽŽn vergissing. Hij vergat ŽŽn weg en deze fout zorgde voor tweespalt in het dorp.
Het was de weg die of naar de voedsel- of naar de kledingwinkel zou moeten leiden. Zijn fout was dat hij zijn medetrollen, want zo noemde hij ze, te veel voorschreef. Ze verleerden het om zelfstandig te denken. Het gevolg was dat ze voor deze ene weg geen oplossing zagen, met als gevolg dat er twee kampen ontstonden die elkaar bevochten op leven en dood. En tussen deze vechtende massaÕs werd mijn vader vermorzeld.
De enige die ontkwam was de burgemeester en deze heeft mij meegenomen en opgevoed.
Nu, de burgemeester heeft mij vertelt dat mijn vader al zijn gedachten heeft opgeschreven en dat deze ergens door hem zijn begraven. En het zijn deze papieren warnaar ik opzoek ben.Ó
ÒMaar dat is toch geen schat?Ó
ÒMisschien niet, misschien wel, maar het was een goed voorwendsel om iemand te interreseren en enthousiast te maken, zodat hij me kwam helpen.Ó
ÒDaÕs waar, anders was ik hier ook niet geweestÓ, bekende Ned.
Het gesprek viel stil en Ned zag dat ze onderwijl een flink eind waren opgeschoten.
Ze waren in een rotsachtig gebied terecht gekomen. Grote rotsformaties onttrokken de horizon aan het zicht.
ÒHier moet Nomar ergens wonen.Ó, sprak Slein, terwijl hij een fluitje uit zijn zak haalde.
Hij speelde er enige noten op en als uit het niets verscheen er een klein heerschap.
ÒHallo luitjes, wat kan ik voor jullie doen?Ó, sprak het heerschap op pedanterige toon, dit geheel in stijl met zijn voorkomen.
Hij was gekleed in een strak grijs kostuum met dat. Er zat een scherpe vouw in zijn broek en op zijn neus stond een hoornen bril met ronde glazen, dit in schril contrast met zijn scherp geknipte haar. Het was al-met-al geen heerschap dat je snel over het hoofd ziet.
ÒAwel eerwaarde collega, wij brengen u inderdaad niet zomaar een bezoek. Wij brengen u een bezoek omdat wij opzoek zijn naar de verloren geschriften van mijn vader.Ó
ÒAch heus, u meent het niet? Maar komt u toch verder dan is er thee of koffie.Ó
Slein en Ned klomen van hun beren en liepen met Nomar op naar zijn bescheiden stenen huisje waar, uit de schoorsteen, de rook vrolijk kringelde.
ÒWel mijne heren, het is langgeleden, maar ik kan het mij nog herinneren daar de heer lemmor en ik in eendrachtige samenwerking een ode op uw vader hebben geschreven...Ó
ÒMaar weet u ook waar we de papieren vinden kunnen.Ó, onderbrak Slein Nomar.
ÒHeeft u altijd zoÕn haast mijn waarde heer, dat zal u dan niet ver brengen. Hebt gedult.Ó
Even viel er een stilte, waarna Nomar vervolgde: ÒZelf weet ik niet waar de papieren te vinden zijn, maar achter deze bergen, in de sompige moerassen van Sov, woont een dame en deze dame zou u mogelijk het antwoord op uw vraag kunnen geven. M‡‡r voordat u nu gelijk het moeras in rent om nooit meer weer te keren zult u eerst naar mij moeten luisteren, want ik ken de weg.Ó
Even dacht Nomar na en toen leek hij zich te bedenken: ÒWacht, ik weet het beter. Ik geef u de heer Lemmor mee als gids. Dat spaart mijn stem en het spaart u tijd. Een ogenblikje gedult alstublieft.Ó
Rustig stond Nomar op en verdween in een nevenvertrek waar, toen hij de deur opende, gevleugelde tonen uitkwamen.
De muziek hield op en in de deuropening verschenen Nomar en de heer Lemmor.
De heer Lemmor liet zich makkelijk kenschetsen. Hij was dŽ musicus. Alles aan hem sprak van zijn musicaliteit. Zijn vingers waren lang en zijn handen waren gevormt naar de toetsen van zijn piano. Hij had een scherpe blik die in elke partituur direkt de muziek herkent en deze gelijk hoort spelen.
Hij moest een groot musicus zijn en hij was onze gids.
Nadat Ned en Slein aan hem waren voorgesteld, gingen ze gelijk op pad.
Ned en Slein werden weer gedragen door Nibor en Ardnas, maar de heer Lemmor gaf de voorkeur aan lopen. Hij wilde niet zo hoog zitten.
Onverwachts veranderde het landschap. De bergen verdwenen en er verscheen een vlaklandschap vol struiken en grassen.
ÒHet spijt mij u het te moeten zeggen, maar u zult uw vervoer hier achter moeten laten. Ze zijn te zwaar voor het moeras. Ze zouden verdrinken.Ó
Dit was de eerste keer dat de heer Lemmor zelf sprak. Hiervoor had Nomar steeds het woord voor hem gedaan.
De heer Lemmor had een mooie, luide stem.
Ned en Slein werden door Nibor en Ardnas op de grond gezet en Ned en Slein vervolgden in ganzepas hun weg achter de heer Lemmor aan.
Ned keek nog even achterom en zag Nibor en Ardnas spelen in de groene weide aan de voet van de bergen.
Toen keek hij weer voorzich om niet verongeluk in het moeras terecht te komen, want het pad was zeer smal.
Uren liepen ze zo, zonder een woord te zeggen, over een smal paadje dat aan weerszijden werd begrensd door moeras. Af en toe passeerden ze kleine stukjes bos die op een eilandje, midden in het moeras, waren ontstaan.
Opeens stond de heer Lemmor stil. Hij wees met zijn vinger naar een eilandje met bos dat ongeveer vijftig meter van hen verwijderd was.
ÒDaar moeten we zijn. Daar woont Nonam.Ó
Het was alsof ze van de komst van Ned en Slein op de hoogte was gebracht, want ze stond hen al op het pad op te wachten.
In haar lange, stralend witte gewaad leek zij wel een engel.
ÒBeste Slein, hier is je kaart. Succes ermee.Ó, ze overhandigde Slein een papiertje en direct daarop pakte ze de heer Lemmor zijn hand. Deze liet dat even toe, toen liet hij los en sloeg zijn arm om haar fragile schouders en samen verdwenen ze tussen de bomen als waren ze mistflarden.
Geheel alleen stonden Ned en Slein nu in het midden van het moeras met slechts een kaart, dat moest genoeg zijn.
Slein vouwde het papiertje open en samen bekeken ze de eenvoudige kaart die op het papiertje gekrabbeld was. Naast de kaart stond nog wat geschreven:
Vijftig passen noord
Twintig passen oost
Een boom na ongeveer honderdmeter noord
Bij aankomst troffen Ned en Slein daar inderdaad een boom en even verderop zat een vrouw op een steen. Ze had donker haar en ze wenkte.
Ned en Slein liepen op haar toe.
ÒIk wist wel dat je zou komen. Een verloren zoon keert altijd terug als een dief op de plaats van de diefstal.
Wel zoon, onder deze steen liggen de papieren van je vader. Ik hoop dat ze je geluk mogen schenken. Het is voor mij nu tijd om te rusten. Ik heb langgenoeg gewaakt. Het ga je goed.Ó
Zachtjes steeg ze op, ze zwaaide nog even en toen was ze verdwenen en er was weer rust, stilte en leegte.
ÒLaten we die steen omkeren en er een blik onder werpenÓ, stelde Ned voor. Samen rolden ze de grote steen op zÕn kant en onder deze steen lag een metalen kistje met in de deksel een grafure.
In de deksel stonden allemaal vreemde tekens. Ned hield het kistje met beide handen vast, terwijl Slein het opende. Uit het kistje haalde Slein een grote ronde schijf. Hij hief hem ten hemel en toen kon Ned zien dat het een spiegel was.
In de spiegel zag Ned de heer Lemmor met zijn geliede Nonam en daarachter speelden Nibor en Ardnas. Ze waren ver weg, maar zag ze steeds duidelijker worden en uiteindelijk zag hij ook opeens Nomar. Hij stond op een heuvel te staren naar waar zij zich bevonden. Ned zwaaide, maar het was voor Nomar onmogelijk hen te zien en dus zwaaide Nomar niet terug.
De lucht, zo zag Ned in de spiegel, begon langzaam te betrekken. Van blauw werd de lucht grijs en uiteindelijk zwart. Snel naderde de lucht en slokte alles op: Nomar, Ardnas en Nibor, de heer Lemmor en Nonam en uiteindelijk ook Slein met de spiegel.

Ned stond weer op het strand. De golven kabbelden op de kust. De storm was verdwenen. Ned knipperde met zijn ogen om zich ervan te overtuigen dat hij werkelijk weer terug was op het strand. Hij was terug.
Enigzins teleurgesteld ontdekte Ned dat hij de fles nog of weer in zijn hand had. Er zat een briefje in. Weer frommelde hij het briefje eruit en las het:

Beste Ned,

Bedankt voor je hulp. Ik heb De Spiegel van het Verleden weer terug en ik heb hem veilig opgeborgen. Het spijt me dat we geen afscheid hebben kunnen nemen. Mocht je ooit nog eens terug willen komen, zoek dan naar de juiste fles en wrijf erover, je bent altijd welkom.
Nogmaals mijn hartelijke dank, ook namens alle anderen en misschien totziens.

Slein