Vergeten



Detroit 5:00 AM
De vergeelde zonnestralen zoeken zich te vergeefs een weg door de enorme deken van mist en stof die over de stad ligt. Dempend en verstikkend is de sluier. Hoge schoorstenen prikken door de laag en stapelen hun uitstoot op de in de loop der jaren opgebouwde. Het is nog rustig en verlaten.
In ŽŽn van de straten, geklemd tussen donkere, hoge huizenblokken, staat een man in pyama. Zijn haren zijn zilver-grijs. Hij heeft een wat eens donkere huid was, maar ook deze is gebleekt door de tijd.
De man staat in het midden van de straat en kijkt in de richting waar gewoonlijk de vuilniswagen vandaan moet komen.
ÔZe zijn me vergeten. Ze zijn me vergeten op te halen. Ik had ook nog mee gemoeten.Õ
Met deze gedachte in zijn hoofd bleef hij in de verte staren. Luid toeterend kwam een auto hem achterop, maar de oude man bewoog niet.
ÔHoe konden ze mij nou vergeten. Ik ga al zolang mee.Õ
Met gierende banden kwam de auto tot stilstand, vlak voordat de man zou worden aan gereden. De oude man bewoog niet en bleef in de eindeloze verte staren.
ÒHŽ man, ga eens aan de kant ik moet erdoor.Ó, riep de automobilist uit zijn open raampje.
ÒZe zijn me vergeten. Ze zijn me vergeten op te halen; van mÕn werk.Ó, bijna fluisterend kwamen de woorden over zijn rimpelige lippen.
ÒJe bent al jaren met pensioen. Je hebt geen werk meer...Ó

De bejaarde man zakte op zijn knie‘n en begon te huilen. Dikke tranen stroomden over zijn wangen en vermengden zich met het vuil van Detroit om 5:07 AM.