De
spurt van het kuiken
(Kijk
niet achterom)
Het was paasmorgen toen de schaal van het
ei van binnen uit werd gebroken. Trots stond moeder-kip te kijken naar het gele,
verbaasde kopje dat uit het ei omhoog stak. Niet veel later hipte het bolletje
dons rond op de plek waar nog enkele doppen lagen. De geboorte was een feit
en het kuiken verkende nu het leven. De moeder was er steeds als de kippen bij
als het jong zijn leefgebied groter
wilde maken dan zij voor goed achtte, want ze wist dat het leven vol gevaren
was.
En veel gevaren scholen er in het leven van een jonge kip, dat bleek
even later toen er luid gekakel van de andere kippen klonk. Een vos was de ren
te dicht genaderd. Hij was niet alleen nieuwsgierig, maar hij was ook hongerig.
Zich
niet bewust van het gevaar, begreep het kuiken instinctief dat er iets
niet in orde was. Dicht kroop het tegen de moeder aan in de hoop dat zij bescherming
kon bieden.
De vos sloop
voorzichtig om de ren en naderde steeds dichter de kippen. Hij spande zijn
spieren en sprong midden in de ren. Luid kakelend vlogen de kippen uiteen. Ook
het kuiken rende weg en verloor hierdoor zijn moeder uit het oog. Het kuiken schrok,
het blikte om en zag daar de hongerige vos. De vos had hem ook gezien en
dacht een makkelijke prooi te hebben.
Het kuiken maakte de spurt van zijn leven
en rende zo hard als zijn kleine konden. Achterom kijkend zag hij de vos niet
meer, maar ook zijn moeder
zag hij niet en dus rende hij snel verder, weg, weg, weg van de onheils plek. Steeds
achterom kijkend vluchtte hij verder tot hij onverwachts een hol voor zich
zag waarin hij kon schuilen. Daar zou hij veilig zijn totdat de vos verdwenen
was.
Nog ŽŽnmaal keek het kuiken om om te zien of de vos hem niet gezien had.
De vos was in geen velden of wegen te bekennen en dus rende het kuiken het hol
binnen. Eindelijk veilig binnen sloten zich krakend de machtige kaken van de
vos en wandelde hij rustig verder.