Het verhaaltje van de klok



De klok tikt. De tijd verstrijkt.
De tijd verstrijkt, voor degeen die kijkt. De tijd verstrijkt, maar anders, voor hem die naar haar kijkt.
Ik kijk en zie de jaren in haar gezicht. De diepe sporen, door de tijd getrokken.
Zij ziet ook, maar zij ziet niet haar sporen. Zij ziet mij en daardoor haar jaren.
En ondertussen tikt de tijdÉ verder, of beter de klok tikt verder.
De klok loopt steeds achter, misschien zijn de batterijen bijna op.
Ik zie de verbeten trekken om haar mond. Ze weet het goed, maar ze wil het nog niet weten.
Het heeft geen zin de klok gelijk te zetten. Het enige dat zou helpen is een nieuwe batterij, maar die heb ik niet.
We praten over vroeger. Vroeger was alles zoveel beter. De mensen waren beter.
Dat zou kunnen, ik heb het niet meegemaakt. Dat was haar tijd, nu is het de mijne.
Maar waarschijnlijk is het niet. Het is nu anders, maar beter? Nee, dat is niet waarschijnlijk.
De tijd verandert het gezichtspunt. Het laat de mooie momenten bloeien en de tijd heelt de wonden.
HŽ, de klok loopt niet meer vertraagd. Zou hij het dan nog niet opgeven.
Zal ik je dan nog maar weer een keer gelijk zetten, als je toch lopen blijft.
Ik vertel haar wat ik denk, maar het is vergeefse moeite.
Het was vroeger beter.
En de armoede?
Maar de mensen waren gelukkiger.
En zo verstrijkt de tijd. Langzaam, omdat ook de klok nu weer achter loopt.
Het is tijd. Ik moet gaan.
Dag, oma. Ik zal de volgende keer een batterij meenemen, dan loopt de klok tenminste goed.