Hoofdstuk 1

Het gevoel van vrijheid dat elke keer weer over hem komt als de lente een aanvang neemt, maakt hem rusteloos. Steeds weer als in het vroege voorjaar een ieder nog in warme kleren loopt ter-wijl hij zijn huid al door de zon laat kleuren heeft hij het gevoel zijn spullen te moeten pakken, zijn werk te staken, de boel de boel te laten en te moeten ver-trekken.
Niet dat hij het doet, want hij weet ook dat er niets ver-anderen zal. Hij weet dat als hij vandaag daadwerkelijk zijn spullen zou pakken, op de trein zou stappen en zou vertrekken dat hij het ene gevoel van be-perking zou vervangen door het volgende. Echte vrijheid is geen materiele of omgevingskwestie. Het zit in je hoofd.
Hij zou niet hoeven vluchten om zich vrij te voelen, sterker nog, zelfs als hij zou vertrekken zou hij zich niet vrijer voelen.
ÔFreedom is a state of mind.Õ, hij kon het niet anders om-schrijven.
Hij zou zich alleen vrij kunnen voelen als hij het leven kon zien zoals Sartre het ooit beschreef; op elk moment het gevoel te hebben vrij te zijn en de vrije keuzes te maken. Het zijn jouw keuzes en elk moment maak je ze opnieuw, in vrijheid, nie-mand dwingt je.

David had het idee dat hij zijn eigen gevoelens ten aanzien van het leven wilde spiegelen in een personage, daarom had Hij ook geen naam. Zijn eigen naam wilde hij niet gebruiken. De weinige mensen die zijn schrijf-sels lazen betrokken toch al te veel op zichzelf.
Ze dachten steeds dat zij zich-zelf in hun relatie met David la-zen.
Misschien hadden ze wel gelijk, je kunt immers alleen schrijven over de dingen die je kent, maar David had dat niet bewust ge-daan. Zijn schrijfsels waren zijn fantasie vermengt met de wer-kelijkheid, zodat het natuurlijk leek, maar zowel werkelijkheid als fantasie waren uit hun ver-band gerukt. Het eindresultaat was n of slechts proza, niet meer en niet minder.
En nu David zichzelf aan het spiegelen was in een personage was hij nog banger voor de reacties. Hij had het gevoel dat als hij zijn personage een fic-tieve naam gaf, het een pseudoniem zou worden en hij had altijd gevonden dat hij pas een pseudoniem kon gebruiken als die naam als een tweede huid paste bij zijn huidige ka-rakter. David had nog geen en-kele naam kunnen bedenken.

Hij wilde dat hij zo leven kon, maar zijn afhankelijkheid van situaties was te groot. Hij liet zich meeslepen door sentiment en sociale gevoelens, zonder deze te kunnen zien als vrije keuzes. Hij zag ze als beper-kend en belemmmerend. Dat was ook een reden waarom hij nooit zijn spullen zou pakken om te vertrekken, daarmee zou hij te veel mensen kwetsen en in de steek laten. Dat kon hij niet.

David wilde afstand cre‘eren. Hij wilde nu al verschillen tus-sen hem en zijn personage aan-geven. Iedereen wist dat hij zijn eigen gang ging. Zoals toen met Cecilia en Dominique. Hij wil-de weg en hij ging weg.
Drie maanden was hij weg ge-bleven zonder iets van zich te laten horen. Cecilia was toen ongerust geweest, Dominique niet. Dominique en hij waren al zolang vrienden. Dominique wist dat David zo af en toe alleen moest zijn.

Het was nog maar net april en toch was de zon al warm. Hij kleurde snel. Hij had even zijn gedachten stop gezet en voelde de hitte op zijn huid. Was hij aan het verbranden? Hij deed de rand van zijn spijkerbroek iets omlaag en zag dat hij in een uur tijd al een duidelijk kleurtje had gekregen. Dat deed hem goed. Hij was altijd trots op zijn brui-ne huid. Het gaf hem een goed en gezond gevoel, ondanks alle berichten van huidkanker die de afgelopen paar jaar elke zomer weer de kranten vulden.
Voor zichzelf had hij wat dat betreft een ijzeren stelregel: Als ik me er goed bij voel, dan is het goed. Hij geloofde heilig in de kracht van de geest die be-paald of een lichaam ziek wordt. Mensen die veel ziek zijn, daar is vaak psychisch ook iets mis mee. Hun psychische klachten uitten zich in lichame-lijke ziektes.
Hij vindt ook de scheiding van lichaam en geest zo vreemd. Als dat echt twee afzonderlijke de-len waren geweest dan hadden ze nooit zoveel invloed op el-kaar kunnen hebben.
Hij onderbrak zijn gedachten en keek even op zijn horloge. Het was vier uur geweest. Vier uur en nog wees de thermometer achtien graden aan. weliswaar in het zonnetje en uit de luwte, maar toch.
Het was vooral de nu opsteken-de wind die het koud maakte. Er was nergens beschutting op het dakterras, dus had hij geen keuze. Of eigenlijk wel, meer-dere zelfs.
Hij kon blijven zitten en het koud hebben, hij kon naar bin-nen gaan of hij kon iets warms gaan aantrekken.
Dat waren zijn keuze mogelijk-heden, maar hij kon ze niet los zien van de situatie waarin hij zat. Elke situatie leverde keuze mogelijkheden op, maar be-perkte ze evenzeer. Er was geen vrijheid zoals Sartre dat be-schreven had, of beter; zoals hij Sartre ge•ntepreteerd had.

Dat was het probleem dacht Da-vid, mensen interpreteren een tekst naar hun eigen beleving. Ze herkennen wat voor hun her-kenbaar is en de rest is vulling. In een goed boek vindt iedereen iets herkenbaars en de rest slaan we over alsof de schrijver dat nooit geschreven heeft.
Het was om diezelfde reden dat David tijdens zijn eindexamen zo tegen de analyse van po‘zie was geweest. In die tijd kon hij niet goed verklaren wat er niet goed aan was, maar nu zag hij dat duidelijk. Po‘zie moest je beleven, voelen. Als de schrij-ver had gewild dat je het volle-dig zou begrijpen dan had hij de verhaalvorm gekozen. Juist omdat hij voor de po‘zie had gekozen moest je het niet gaan bespreken. Po‘zie was een te-ken van emotie en emoties laten zich niet in woorden vangen, zeker niet tijdens je examen.

Hij had een T-shirt gehaald. De frisse lente lucht, het warme zonnetje, dat alles gaf hem een gevoel dat hij nog niet kwijt wilde raken. In een stoel zit-tend, starend, liet hij de emoties -vrijheid, zomer, geluk- over zich heen komen. Daarom wil-de hij niet naar binnen. Er was nog een avond en de volgende dag zou hij weer moeten wer-ken. Nu was er nog even de illusie dat hij niks moest, dat dit eeuwig kon duren. Dat waren zijn gelukkige momenten. Zon-dagmiddagen waarop hij vol gedachten in de zon kon zitten staren. Ongestoord, ongege-neerd zijn gedachten de vrije loop kon laten.

David voelde de wrijving die de tekst bij hem opriep. Zijn vol-gende dag was begonnen. Hij zat in een trein vol mensen zich verbazend, terwijl hij schreef, over het gedrag van al deze in-telligente dieren.
Als de dood iemands privacy te breken of bang om de verkeer-de indruk te wekken neemt iedereen zo ver mogelijk van elkaar plaats. Een ÔGoede mor-genÕ klinkt zelden, of bekenden moeten elkaar tegen komen. Te-gen vreemden praat men niet of je moet ergens willen zitten waar iemand anders zijn tas heeft neergezet.

Het bleef door zijn hoofd spe-len dat de dood iets scheidt dat daarvoor ŽŽn geheel was ge-weest -lichaam & geest- alsof je een legering weer scheidt in zijn oorspronkelijke metalen. Maar ook binnen een legering is elk metaal atoom appart aanwijs-baar, ze zijn gescheiden.
Hoe langer hij erover nadacht des te meer kwam hij tot de conclusie dat lichaam en geest zoÕn legering was. Ze be•n-vloeden elkaars eigenschappen, maar in de kern zijn ze beiden nog dezelfde.

Het was een dag later toen Da-vid verder schreef aan zijn ver-haal. Het was hem niet gelukt om de dag ervoor veel te schrij-ven en het meeste van wat hij geschreven had had hij vandaag weer geschrapt, afgedaan als zinloze dwalingen en onnatuur-lijkheden.
De restanten van zijn schrijfsels las hij nog eens rustig door en hij was tevreden. Hoe nu ver-der?
David had het gevoel dat er iets moest gebeuren. De persoon werd te statisch, daarnaast zijn gebeurtenissen vaak mooie kap-stokken om denkpatronen aan op te hangen.
Zijn eerste gedachte was om een vrouw in Zijn leven te bren-gen, zodat Hij iets had om te-gen te praten, om dialogen op te zetten, maar een tweede perso-nage impliceert altijd het ge-bruik van namen en hij wilde Hem nog geen naam geven.

Het begon nu echt koud te wor-den buiten en hij besloot naar binnen te gaan. Hij pakte zijn lege glas, zijn pakje sigaretten en de asbak. Hij sloot de deur om zo de warmte langer binnen te houden en liet alle media uit, zoals hij meestal niet deed. Hij wilde op deze manier dat heer-lijke zomerse gevoel vast houd-en. Hij schonk zichzelf zelfs nog een glas rum-cola in om de gevoelens te versterken en hij strekte zich uit op de bank. Niemand kon hem iets doen, er was rust en hij was gelukkig.
De telefoon ging. Zijn ex-vrien-din, vriendin omdat hij nooit had willen trouwen.
Wat hij de komende week ging doen. Hij wist het niet, waar-schijnlijk werken, eten en sla-pen. Of het dan goed was dat ze Mirjam, hun dochter, straks kwam brengen en of ze een week bij hem kon logeren, want zij gingen een weekje weg.
Hij legde neer nadat hij haar verteld had dat dat goed was. Hij had haar niet laten merken hoe enthousiast hij was. Alle opaÕs, omaÕs en tantes konden zeker niet, want hij zag zijn dochter bijna nooit. Haar moe-der wilde dat niet, ze vond dat hij een slechte invloed op zijn dochter had.
Dat het nu opeens wel kon ver-baasde hem, maar hij was er blij om. Een doorbraak was moge-lijk.
De bel ging. Daar was Mirjam, ze was groot geworden, maar hij zei niets. Hij pakte Mirjams koffers over van zijn ex en sloot de deur. Ze hadden nauwelijks een woord gewisseld.

David was op de terugweg van zijn werk en zat in de trein terwijl hij dit schreef. Hij voel-de dat hij meer verbondenheid met zijn personage kreeg. De gevoelens van Hem ten opzichte van zijn ex waren de gevoelens die hij tegenover zijn moeder gekoesterd had en in Mirjam verbeelde hij de schoonheid van de jonge vrouw die tegenover hem zat. Haar kleine lippen en zachte gemoedelijke gelaatstrek-ken. Ze had donkere ogen die goed bij haar donkere huid met sproeten pasten. David besloot dat ook Mirjam grote donkere ogen zou hebben , maar geen donkere huid. Wel moest ze iets aparts hebben, zoals de sproe-ten. Mirjam moest anders zijn, ze moest opvallen.
Terwijl hij dit dacht stopte de trein bij een station en verliet zijn Mirjam de coupŽ. Ze had-den geen woord gewisseld. Hij spitte door zijn geheugen naar kinderlijk spraak gebruik. Hij zocht een stem en een manier van spreken die bij Mirjam zou passen.

ÒPap, waarom kan ik niet vaker bij je langskomen?Ó
ÒOmdat jij naar school moet en omdat pappa werkt.Ó, hij hoop-te dat dat voldoende zou zijn. Hij wilde de onenigheid met zijn ex niet uitspelen via zijn dochter. Hij hield van Mirjam en wist zelf te goed hoe het voelde om gescheiden ouders te hebben.
ÒMaar mama zegt dat je mij niet wilt zien. Ze zegt dat je geen tijd voor me hebt.Ó
ÒIk heb inderdaad weinig tijd, maar als je me van te voren belt kunnen we altijd iets afspre-ken. Je bent er nu toch ook?Ó
Hij zou willen dat hij Mirjam alles uit kon leggen. Dat hij haar kon vertellen dat haar ma-ma bij hem was weggegaan en dat ze Mirjam had meegeno-men. Dat haar moeder hem ver-bood contact met haar op te ne-men, dat ze zelfs, als hij belde, de telefoon op de haak legde als hij vroeg of hij Mirjam nog even kon spreken. Dat zijn ex vond dat het contact naar hem toe van Mirjam uit moest gaan.
Maar hij vertelde haar dat niet. Hij wilde dat Mirjam wist dat hij er altijd voor haar zijn zou zonder zijn ex tegen zich in het harnas te jagen.
ÒKan ik je dan eens bellen?Ó
ÒNatuurlijk, bellen kan altijd.Ó
ÒMamma zegt van niet. Mamma zegt dat je toch nooit thuis bent.Ó
ÒJe mag me altijd bellen.Ó
Hij ontweek haar vraag. Kinde-ren kunnen je het soms zo moeilijk maken. Daarom hield hij zo van hen. Ze zijn eerlijk, recht door zee. Aan kinderen is nog niets gemaakts. Het toneel-spel van volwassenen kennen ze nog niet. Hij wilde dat dat voor Mirjam altijd zo zou blij-ven, maar hij wist dat dat utopie was. Zonder toneel hou je jezelf niet staande. Ze maken je gek als je hun spel niet meespeelt. Jammer was de eigenlijk.

Sherree moest nu ongeveer Mirjams leeftijd hebben dacht David. Het was nu zes of zeven jaar geleden dat hij bij Cecilia en Dominique was weggegaan. Hun dochter was kort daarna geboren. David was nog ŽŽn keer op kraamvisite geweest, maar had ze daarna niet meer gezien.
Nu Mirjam in zijn verhaal was ingetreden dacht hij opeens aan Sherree en vroeg zich af hoe het met haar en haar pappa en mamma zou zijn.
Dominique en hij waren heel lang goede vrienden geweest en nu zat er opeens een gat in hun vriendschap. Ze hadden geen ruzie gehad. David was ge-woon weggegaan. Hij had het gevoel gehad dat hij de relatie van Cecilia en Dominique geen goed deed. En de vrijheid die hij gehoopt had te vinden bleek beperkt te zijn.
Hij woonde nu op zichzelf en zat vast in zijn werk en zijn overige sociale verplichtingen. Precies de dingen waar hij toen voor had proberen te vluchten, samen met Dominique en Ceci-lia, maar waarvan hij ontdekt had dat die verplichtingen alleen in je hoofd bestaan.
Op de boerderij die ze gekocht hadden waren de verplichtingen net zo aanwezig geweest, alleen hadden ze een andere naam. In plaats van werken heette het oogsten. Geld hadden ze toen niet veel en dus ruilden ze wat ze verbouwden. Er veranderde niet veel. Wie veel oogste had veel te ruilen.

Hij had Mirjams koffers uitge-pakt, het bed in de logeerkamer voor haar opgemaakt en ze had-den samen gegeten. Mirjam had vakantie. Ze kon hem helpen in de snackbar waar hij boven woonde. Het zou wat aanpas-sen worden. Een echt geregeld leven zou ze de komende week niet hebben, maar ze zouden er wel uitkomen.

David snapte zijn eigen vondst niet. Hij maakte het zichzelf moeilijk. Hij had geschreven dat Hij het volgens Zijn ex heel druk had, wat Hij tegen Mirjam beaamde en nu had Hij opeens Zijn werk onder Zijn woning, waarmee had Hij het dan zo druk dat Hij veel onbereikbaar was?
Een eigen snackbar is een ar-beids intensieve baan. Je hebt je inkopen bij groothandels, je boekhouding, het schoonmaken van de tent en natuurlijk rare werktijden. Hij was thuis als anderen werkten en omgekeerd. Dat maakte Hem in Zijn exÕ ogen ongeschikt als voorbeeld en moeilijk bereikbaar.
Dit waren essentiele zaken die David altijd controleerde als hij aan het schrijven was. Het moest kloppen, zijn lezers moe-sten het idee hebben dat het echt gebeurd had kunnen zijn, en misschien was dat er ook de oorzaak van dat mensen zichzelf of David erin herkenden.

Mirjam zou zich moeten aanpas-sen aan zijn levensstijl; andere eettijden en een ander dag ritme.
ÒHoe laat ga je normaal naar bed?Ó
ÒTien uur zei ze met een ernstig gezicht.Ó
Hij trok er ŽŽn uur af omdat ze zich al aardig aan de volwassen- wereld begon aan te passen en telde er vervolgens een uur bij op omdat ze bij hem was en omdat ze vakantie had. Ook wat werktijden kwam hem dat beter uit. Meestal was het om tien uur rustig.
ÒOkŽ, dan mag dat hier ook.Ó
ÒMaar het is vakantie, dan mag het toch later?Ó
Hij was het omgaan met kinde-ren toch iets verleerd. Hij had zijn beslissing te vlug genomen. Ze had hetgevoel dat ze, omdat hij het zosnel accepteerde, een te laag bod had gedaan.
ÒNee, tien uur is laat genoeg voor een meisje van jouw leef-tijd.Ó
Hij moest haar het idee geven dat ze juist had geboden, dat hij alleen een snelle beslisser was. De overeenkomst was bindend.
Ze zeurde niet zoals hij had ver-wacht. Ze had hem kennelijk begrepen. Daar was hij blij mee. Hij was het toch niet hele-maal verleerd.