Hoofdstuk
7
Zaterdagmorgen,
hij was vroeg wakker. De hele nacht was hij onrustig geweest. Hij had het
idee dat hij er bijna was om Mirjam voor hem terug te win-nen.
Hij formuleerde
het te sterk, wilde het afzwakken.
Hij was bijna zover dat hij met Mirjam
een normale relatie kon hebben, zo normaal als dat bin-nen een gescheiden-gezin
mo-gelijk is. Het was niet zijn doel om Mirjam bij hem in huis te halen, maar
hij wilde wel ge-woon met haar
om kunnen gaan. Hij wilde haar vaker zien, haar zien opgroeien, volwassen worden.
Hij
stond op en schoof de gor-dijnen open. Het was een stralende ochtend.
Het leek wel zomer. Hij maakte ontbijt, opende de balkondeuren en zet-te alles
buiten neer, toen maakte hij Mirjam wakker. Hij wilde zo lang mogelijk van haar
ge-nieten.
Lodderig keek Mirjam hem aan.
ÒHoe laat is het?Ó
ÒNegen
uur.Ó
ÒOh.Ó
Ze leek het nog niet helemaal te begrijpen. Haar vraag was meer
een standaard zin geweest,
niet om echt de tijd te willen weten, maar meer om aan te geven dat ze het nog
geen tijd vond. Dat kende hij van zijn ex. Die draai-de zich na zoÕn gesprek ook
ge-woon weer om en sliep verder. Mirjam deed dat niet. Ze keek eerst naar hem
en toen naar de streep zonlicht die door de kier in haar gordijnen de kamer in
twee‘n deelde.
ÒIs het mooi weer?Ó
ÒHet is stralend weer, zonde om in bed
te blijven liggen.Ó
Mirjam kwam uit bed vandaan en ze aten buiten. Hij zag
hoe snel ze klaar wakker en vrolijk
was toen ze de warmte van de zonnestralen voelde.
Het was een rare sensatie.
De lente kou hing nog in de lucht en toch kon je de zomer al op je huid
voelen branden. Het ge-voel van vrijheid en onbe-grensdheid drong zich weer aan
hem op.
ÒWat gaan jullie in de zomerva-kantie doen?ÓÓWeet ik niet, maar mag
ik naar jou toe komen?Ó
ÒNatuurlijk, je bent altijd wel-komÉÓ, hij had erachteraan
willen zeggen ÔÉals je moeder het goed vindtÕ, maar liet dat bewust weg.
Hij wilde geen maar-en meer.
Mirjam moest vrij zijn. Dan maar ruzie met zijn ex. Mirjam moest zelf kun-nen
kiezen. Hij zou zijn ex dÕr regels niet meer in stand hou-den. Hij voelde zich
jong, op-standig, puberaal.
Het was zaterdag en hij voelde zich gelukkig en
hij kon de hele wereld aan.
Ze wasten samen af, althans hij deed het werk en
zij vertelde verhalen over thuis. Samen pakten ze haar tas in en hij straalde.
Hij verbaasde zich over zichzelf en over het zelf-vertrouwen dat ŽŽn vraag een
mens kan schenken: Ômag ik naar
jou toe komen?Õ. Daar zat zoveel in, zoveel geborgenheid en vertrouwen. Zijn
dag kon niet meer stuk.
Toen alles klaar stond voor ver-trek zijn ze gaan pesten,
niet om de tijd te doden, maar omdat ze er zin in hadden. Hij wilde met haar
samen zijn. Dingen met haar doen en spelletjes doen was er daar ŽŽn van.
Ze
vergaten de tijd. De bel ging en hij deed de deur open. Daar was zijn ex.
ÒGod,
is het al z— laat, kom er even in dan maken we nog even dit potje af.Ó
Toen
het spelletje af was gaf
hij haar een knuffel, droeg haar spullen naar de auto en zwaaide haar uitbundig
uit.
Nogsteeds gelukkig ging hij weer naar boven en plofte neer op een stoel
op het dakterras. Hij keek naar de helder blauwe lucht, voelde de warme zon
en wist dat hij over een paar uur weer aan het werk moest.
Het interresseerde
hem niet. Dit was zijn moment. Zijn geluk. Zijn vrijheid.