Naar het eind van de regenboog



Stralend weer was het toen donkere wolken zich boven het ŽŽnvoudige dorpje begonnen samen te pakken. Niet veel later vielen de eerste regendruppels, maar de zon bleef schijnen, met als gevolg dat zich tegen de grijze lucht een prachtige regenboog aftekende.
Elke jongeling wist wat dit betekende en dus snelden we met zÕn allen naar de grote hut van de dorpsoudste. Deze vertelde altijd, als er een regenboog verscheen, zijn verhaal aan de kinderen van het hele dorp. En wij luisterden elke keer weer geboeid naar zijn verhaal.

Het is lang, heel lang geleden dat ik jullie leeftijd had, maar ook toen waren er al regenbogen. En over deze regenbogen deden zich de meest fantastische verhalen de ronde. Er zou namelijk aan het eind van de regenboog een pot met goud staan en als jonge jongen wilde ik die maar al te graag vinden.
Toen ik dan ook oud genoeg was om zelfstandig de wijde wereld in te trekken pakte ik mijn rugzak en trok die wijde wereld in op het moment dat zich een regenboog tegen de lood grijze lucht afstak. Ik zou de pot met goud vinden.
Ik wandelde over de paden en door de regen opweg naar het einde van de regenboog, daar een regenboog twee kanten heeft koos ik er ŽŽn en richtte me op deze.
Dagen achterŽŽn wandelde ik door velden en bossen. Soms zag ik de regenboog en soms zag ik hem niet. Als ik hem niet zag dan bleef ik gewoon in de ingeslagen richting doorlopen net zo lang totdat ik hem weer zag, want elke keer kwam hij, na verdwijning, weer terug.
Soms als ik de regenboog kwijt was dan werkte ik bij een boer en verdiende zo geld om eten en drinken te kunnen kopen, tevens had ik zo onderdak voor de nacht en als dan de regenboog weer kwam dan vertrok ik en vervolgde mijn weg.
Tijdens mijn speurtocht, naar het einde van de regenboog, ontdekte ik dat hij die zoekt naar de pot met goud veel regen op zijn weg ontmoet en toen begreep ik ook waarom die pot met goud nooit gevonden was; er was teveel regen, maar ik zou niet opgeven. Ik zou hem vinden, ook al was ik regelmatig tot op de huid nat van de vele regen, ik ging door.
Het geluk was met mij. Op een dag stond ik boven op een heuvel en keek over de vallei uit en ik zag een klein dorpje in de diepte liggen. De regenboog leek in het dorpje te eindigen en dus snelde ik de heuvel af en begon het dorpje grondig te doorzoeken. Gelukkig was het dorpje niet groot en had ik al snel gezien dat de pot met goud niet zomaar op straat was te vinden. Ik besloot dus maar op goed geluk bij de bewoners aan te kloppen.
Een heer deed open.
ÒGoedendag meneer, hier in dit dorp eindigt de regenboog en nu ben ik opzoek naar de pot met goud. Kunt u mij ook zeggen waar ik die vinden kan?Ó
De heer barstte in lachen uit.
ÒMaar beste knul, als ik dat wist zou ik hem toch zelf zijn gaan halen, maar hier heb je een daalder, want dat heb je wel verdiend, en succes verder.Ó
Vele keren kreeg ik geld in mijn handen geduwd, maar in totaal benaderden ze niet de goudpot en ook niemand kon mij zeggen waar hij was.
Weer klopte ik aan en nu deed een vrouw de deur open.
ÒWatiser.Ó
ÒDag mevrouw, hier in de buurt moet een pot met goud staan en daar ben ik naar opzoek. Kunt u mij helpen?Ó
ÒMaaannn help!!! Er is hier iemand die ons geld wil stelen!!!!Ó
ÒMaar, dat wil ik....Ó
Verder kwam ik niet, want toen ik haar man zag besloot ik dat het waarschijnlijk verstandiger was als ik ergens anders naar een pot met goud ging zoeken. Ik rende zo hard ik kon en stopte niet eerder dan toen ik zeker wist dat hij me niet meer achtervolgde.
Ik stopte en keek om me heen. Wat moest ik doen? In dit dorpje was hij waarschijnlijk niet, dus moest hij ergens anders zijn, maar waar? Toen schoot mij te binnen dat de regenboog ook nog een andere kant had, daar moest ik gaan zoeken. En dus vertrok ik opzoek naar het andere eind van de regenboog.
Weer wandelde ik dagen door regen en door zonneschijn, weer betrad ik de sompige paden en zwierf ik door de bossen. Het hele land heb ik gezien en vele mensen heb ik ontmoet. Vaak heb ik gedacht aan opgeven om me gewoon ergens te vestigen, maar dan dacht ik aan de pot met goud en dan ging ik door. Ik zou hem vinden.
Het was donker, regenachtig weer toen ik een groot bos naderde. Ik liep het bos in, daar ik hoopte dat het daar droger zou zijn. Het was er ook droger, maar het was een heel dicht en donker bos, zodat ik al spoedig verdwaalde. Ik wist niet of ik vooruit, achteruit, links- of rechtsaf moest. Ik kon wel al uren in het rond gelopen hebben zonder dat ik het had gemerkt.
Langzaam begon de dag te verdwijnen en werd het aarde donker in het bos. Vele vreemde geluiden klonken in mijn oor en maakten me angstig. Ik wist niet meer wat te doen en welke kant op te gaan en dus besloot ik hier te blijven overnachten. Ik ging op de grond, tegen een boom, zitten en sloot mijn ogen.
Gekraak in het struikgewas deed mij opschrikken uit mijn dommeling. Voor mij stond een in vele gewaden geklede vrouw. Haar rug was gekromd en haar gezicht vertoonde sporen van ouderdom; haar leeftijd was niet te raden.
ÒEenzame doolaard, luistert naar mij.Ó, sprak zij met gebroken stem.
ÒMaar wie bent u?Ó
ÒZe noemen me Elvira. Maar luister nu goed naar wat ik je zeggen ga. Jij zwerft nu al jaren rond op zoek naar de pot met goud en nog nooit heb je hem gezien. Laat staan gevonden. En als je naar de pot blijft zoeken zul je hem nooit vinden. Ook het goud zul je nooit vinden als je blijft zoeken. Stop met zoeken en je zult je goud vinden, niet de pot.Ó
ÒMaar hoe kan ik het goud vinden als ik het niet zoek?Ó
ÒDat merk je vanzelf. Als je het hebt gevonden weet je dat je het hebt gevonden.Ó
Snel verdween ze tussen de bomen. Ik stond op en probeerde haar te volgen, maar ze was te snel en wist te goed de weg. Ik zag haar niet meer en zette me op de grond en hoopte in de morgen haar sporen te kunnen volgen.
De volgende ochtend werd ik wakker van de zonnestralen die door het bladerdek in mijn gezicht schenen. Ik stond op en doorzocht het stuk bos, waar ik was, op voetsporen maar kon niets vinden.
Toen realiseerde ik mij pas dat ik was wakker geworden door de zonnestralen die door het bladerdek schenen. Dit betekende dat ik uit het donkere bos vandaan was en dat ik mij ergens aan de rand van het bos bevond. Ik liep naar het lichtste stuk en stond weldra aan de rand van het bos en ik keek uit over de akkers waar tussendoor een pad liep. Aan de horizon tekende zich een regenboog af. Ik besloot er, ondanks de woorden van Elvira, toch naar toe te gaan en zo volgde ik het pad op weg naar de regenboog.
Het mooie weer dat ik had getroffen toen ik wakker werd, werd langzaam aan steeds slechter. Het ging waaien en regenen en ik werd koud tot op het bod. Met toegeknepen ogen keek ik tegen de regen in op zoek naar de regenboog, maar deze was verdwenen. Ik draaide me om en ook daar was geen regenboog meer te zien. Dit kon maar ŽŽn ding betekenen, ik moest op de plaats van de regenboog zijn.
Toen ik dit bedacht had zocht ik het hele terrein af opzoek naar de pot met goud. Niets was me te gek en elk grassprietje onderzocht ik. De hele dag zocht ik door, maar niets vond ik en aan het eind van de dag was ik nat, koud en dodelijk vermoeid. Ik ging aan de kant van de weg liggen en trok mijn benen dicht tegen me aan en zo viel ik in slaap.
Bij het ontwaken bleek ik mij in een bed te bevinden. Ik lag daar in warme droge onderkleren tussen warme dekens. Door een halfrond raampje hoog boven mijn hoofd schenen zonnestralen naar binnen, het regende dus niet meer.
Ik lag daar wakker te worden en te bedenken wat er zou kunnen zijn gebeurd toen de deur van de kamer werd geopend en een schoonheid van een vrouw kwam binnen lopen.
ÒU bent wakker zie ik, kan ik wat voor u doen?Ó, sprak zij met zachte stem.
ÒNiet direct, maar zou u me kunnen vertellen waar ik ben en wie u bent?Ó, bij mijn laatste woorden tekende zich een blos op haar wangen af.
ÒMijn vader zag u slapend langs de kant van de weg en hij heeft u mee hier naar toe genomen en in bed gelegd en hij heeft mij gevraagd om voor u te zorgen.Ó
ÒDat is heel aardig van uw vader, maar wie bent u?Ó
ÒIk ben KarmelÓ, sprak zij snel en ze liet er direct op volgen, ÒIk zal u wat te eten brengen, u zult wel honger hebben.Ó
Dat had ik zeker en ik liet mij het eten dat zij mij bracht goed smaken. De rest van de dag heb ik grotendeels geslapen en Ôs avonds heb ik kennis gemaakt met de heer des huizes. Deze bood mij onderdak zolang als ik dat wilde.
Ik bleef en vertelde toen ik weer uitgerust was de familie mijn verhalen zoals ik ze nu aan jullie heb verteld en ze luisterden alle gespannen en toen ik uitgesproken was aplaudiseerden ze en dat vond ik leuk en ik begon in het dorp op de markt mijn verhalen te vertellen en mensen gaven me geld en ze vonden het prachtig en zo verdiende ik mijn geld en betaalde ik de heer geld voor kost en inwoning.
En de meeste keren bracht Karmel me met de wagen naar de markt en haalde ze me ook weer op en ik ging van Karmel houden.
En we trouwden en nog zijn wij getrouwd, alleen nu ga ik niet meer naar de markt voor mijn verhalen. Nu komen jullie naar mij en vertel ik jullie de verhalen over mijn zoektocht naar het einde van de regenboog en inderdaad heb ik het einde van de regenboog en mijn goud gevonden. En daarom vertel ik dit jullie; er is voor iedereen goud, maar je moet het niet zoeken en zeker niet aan het eind van de regenboog, want het goud zal jou vinden en jij niet het goud.

De oude man sloot vermoeid de ogen en met rode oortjes verlieten wij de hut. Het was droog buiten en de zon scheen. Zijn felle stralen kaatsten en blinkten in mijn ogen. Ik keek op om te zien wat het licht in mijn ogen deed kaatsen en ik zag het einde van de regenboog.